De macht is absurd maar verzet is zinloos

The Time that Remains. Regie: Elia Suleiman. Met: Elia Suleiman, Saleh Bakri, Samar Qudha Tanus. In Rialto, Amsterdam ***

Een tank rolt het beeld in. Een Arabische jongen sloft de straat op om een vuilniszak in de container te dumpen. De loop van de tank volgt hem, de jongen negeert de kolos volledig. IJsbeert over straat met een mobieltje aan zijn oor: „Er is een feest vanavond in The Stones. Iedereen komt, waarom kom jij niet?” De loop van de tank blijft elke stap volgen.

Een geslaagde scène die de aanpak van Arabische Israëliër Elia Suleiman samenvat. The Time that Remains is een autobiografische film, gebaseerd op zijn leven, de verhalen van zijn ooit opstandige vader en brieven van zijn moeder aan familieleden die in 1948 uit Israël vluchten. De geschiedenis van de staat Israël vanaf de bezetting van Nazareth, gezien door de ogen van de Palestijnen die er bleven wonen.

Suleiman hanteert een volstrekt statische camera: men loopt zijn kader in en uit als acteurs op een podium. Het is een theater van het absurde waarin geschiedenis uiteenvalt in persoonlijke anekdotes. Alledaagse scènes herhalen zich, steeds hetzelfde gefilmd, maar met subtiele verschillen om historische ontwikkelingen te illustreren. De mannen die thee nippen op een terras. Een dronken buurman die zichzelf met benzine overgiet, maar zijn lucifers nooit aankrijgt. De Israëlische bovenmeester die de jonge Suleiman een standje geeft omdat hij Amerika kolonialistisch of imperialistisch noemt. Twee Arabieren die nachtvissen en steeds vijandiger door een Israëlische patrouillejeep worden beschenen. Dezelfde dronken buurman, wiens bizarre politieke betogen vervallen in geraaskal. „Je kan een hoer niet met een lul bedreigen. Zo is het toch buurman?”

Suleiman drijft in The Time that Remains, die meedong naar een Gouden Palm in Cannes, zijn statische manier van filmen op de spits. Herhaling, stilte en stilstand: het is een manier om de vastgedraaide Israëlisch-Palestijnse verhoudingen te tonen. Twee sumoworstelaars die al een halve eeuw inert tegen elkaar aanhangen, want elke beweging kan fataal zijn. In de beginscène zit Suleiman zelf ’s nachts in een taxi, verdwaald in een hoosbui. „Waar ben ik?” vraagt de Israëlische chauffeur zich vertwijfeld af. Daar zitten ze dan in het donker, de Jood en de Arabier: geen lichtje of uitweg in zicht.

Suleiman wordt vaak vergeleken met Jacques Tati, meester van de droog-komische, fysieke humor. Zelf zegt Suleiman, die in Parijs woont, dat zijn inspiratie Joodse humor is en de koele, afstandelijke toon waarop Primo Levi de verschrikkingen van de Holocaust beschreef. Het is een toon die slecht valt in de Arabische wereld, waar Suleiman wordt verweten zijn films met Israëlisch geld te maken. Ook in Cannes kreeg de regisseur het aan de stok met Arabische journalisten, die zijn toon te bloedeloos en apolitiek vinden.

In Suleimans wereld is de macht absurd, maar heroïek zinloos. Verzet eindigt in vermoeide geweldsrituelen: politie en stenen gooiende Palestijnse jongens die even pauzeren als een vrouw met kinderwagen door het strijdperk wandelt. Je kan macht hooguit negeren, zoals de jongen met het mobieltje de tank negeert.

Die fatalistische houding maakt The Time that Remains een wereldwijze, maar inderdaad wat bloedeloze film. Na een imposant begin, waar het Israëlische leger in korte broekjes in 1948 Nazareth bezet, dooft hij langzaam uit. De stijl voelt iets te gemaniëreerd. Zeker in het laatste half uur, als de filmmaker met een Buster Keaton-achtige pokerface de waarnemer speelt. Suleiman toont zo misschien de machteloosheid van de Arabische intellectueel, maar het voelt vooral als ijdel vertoon.