De kracht van het ritueel

De gewijde stilte tijdens de Dodenherdenking is kwetsbaar voor provocatie.

Wie zich daaraan schuldig maakt, doet aan niets minder dan heiligschennis.

De Nationale Dodenherdenking bij het Monument op de Dam is een vertrouwd moment in de rituele kalender met een voorspelbaar verloop.

Het liep dit jaar anders.

De gewijde stilte werd ruw verstoord door een lange kreet van een man, herkenbaar gekleed als orthodoxe Jood. In de kortstondige paniek die hierop ontstond werden de leden van het koninklijk huis in allerijl in veiligheid gebracht.

Maar het meest cruciale moment was wel de prompte terugkeer van de koningin en haar gevolg, terwijl ze nog maar nauwelijks van de schrik bekomen kon zijn. Dit was hét moment om te handelen, om met tegenwoordigheid van geest te tonen dat het Nederland waar zij voor staat niet van wijken weet. Met een tedere aai over de rug stelde de kroonprins haar gerust, terwijl hij meteen daarna weer in het gelid van het protocol sprong en salueerde.

Die paar cruciale minuten na acht uur op dinsdag 4 mei 2010 worden historisch – en gaan we nog vaak terugzien in de overzichten van de regeerperiode van Beatrix. De ceremonie van de Dodenherdenking werd na dit incident feilloos hernomen. Het tekent de kracht en het belang van een ritueel. Sterker nog, de boodschap won aan betekenis door de nagenoeg onverstoorbare hervatting die door het publiek met applaus werd begroet.

De twee minuten stilte tijdens de Dodenherdenking impliceren een tweevoudig onthouden. Enerzijds het zich onthouden van elke handeling, zoals we dat vooral in religieuze rituelen aantreffen. Daarnaast gaat het hier om de herinnering en nagedachtenis: een onthouden van de vele oorlogslachtoffers.

Wie deze gewijde stilte bewust verbreekt, plaatst zich moedwillig buiten de groep die zich via de ceremonie verbonden voelt. Dit maakt het ritueel tevens uiterst kwetsbaar voor schending en provocatie.

Tijdens de Dodenherdenking transformeert de Dam van een profaan stadsplein tot een nationaal eiland in tijd en ruimte, dat uit de dagelijkse orde wordt verheven. Het incident was dan ook niets minder dan een vorm van heiligschennis, met een simpele schreeuw op het foute moment en de verkeerde plaats. Daarbij komt nog dat de dader zich had gehuld in het tenue van een orthodoxe Jood, kennelijk om als zodanig herkenbaar te zijn. Op zich gaf dit geen enkele aanstoot, maar in combinatie met de daad werd hiermee een tweede taboe geschonden, namelijk het leed van de jodenvervolging, juist in een land waarin de deportaties het meest effectief waren gebleken. Die verschrikkingen worden thans weliswaar ten volle onder ogen gezien, maar door juist zo herkenbaar joods de dodenherdenking te verstoren werd de provocatie uitvergroot.

De paniek die in het publiek achter de dranghekken ontstond werd door velen op afstand meegevoeld. Het zal toch niet waar zijn? In feite illustreerde de verstoring niet alleen de kwetsbaarheid van het ritueel, maar ook die van de samenleving. De adequate reactie die erop volgde was dan ook van grote symbolische betekenis, waarmee fragiliteit werd omgezet in kracht en vastberadenheid. De acute hervatting door de koningin als symbool van de natie tekent een Nederland waarin een enkel individu het verschil kan maken voor een samenleving, ten kwade en ten goede.

Gerard Rooijakkers is hoogleraar Nederlandse etnologie aan de UvA