Britse politiek houdt Europa op veilige afstand

In weinig landen bestaan zo veel reserves tegen de EU als in Groot-Brittannië. Thatcher zei het al: problemen komen van het vasteland, oplossingen van de Engelstaligen.

Gordon Brown, de man die vandaag mogelijk zijn laatste dag als Brits premier beleeft, zal de geschiedenis niet ingaan als een groot Eurofiel. Hij geloofde eenvoudig niet dat het Europese vasteland hem veel nuttigs had te vertellen.

Als minister van Financiën was hij er al berucht om dat hij tijdens vergaderingen in Brussel zijn koptelefoon met vertaling dikwijls afzette wanneer Europese collega’s het woord voerden. Dit hoewel hij geen andere taal machtig is dan het Engels. En wanneer Brown zelf het woord nam, was dat vooral om anderen in te prenten hoe superieur de Angelsaksische aanpak in het algemeen was en die van hemzelf in het bijzonder.

Als premier ging het de afgelopen drie jaar iets beter tussen hem en de rest van Europa. Hij verwierf respect met zijn aanpak van de financiële crisis. Maar de warmere gevoelens waren indirect ook te danken aan zijn Conservatieve tegenstrever David Cameron, die zich een stuk sceptischer tegenover Europa opstelde dan Brown. Veel Europese regeringsleiders kozen eieren voor hun geld en probeerden Brown enigszins ter wille te zijn, in de hoop Cameron en de zijnen uit Downing Street 10 weg te houden.

Toch kan Cameron binnenkort premier zijn. Zouden de Britse betrekkingen met de Europese Unie dan weer in zwaar weer raken? Dat hoeft niet. „Hoewel Cameron zelf zeker een Euroscepticus is, is hij ook een realist”, zegt Simon Tilford van het Centre for European Reform, een denktank in Londen. „Hij heeft al aangegeven dat hij het Europese dossier voorlopig wil laten rusten.” Als de Tories genoeg zetels winnen om zelfstandig een regering te vormen, zal hun aandacht voorlopig worden opgeëist door het enorme begrotingstekort. Dat is met 11,6 procent in het net afgesloten begrotingsjaar een van de hoogste in Europa.

Bovendien bestaat de kans dat de Conservatieven op een coalitie met de Liberaal Democraten zijn aangewezen, de enige partij die uitgesproken pro-Europese opvattingen heeft. Partijleider Nick Clegg zelf heeft jaren voor de Europese Commissie gewerkt en in het Europees Parlement gezeten. Die zou zeker geen extreem sceptische politiek jegens de EU accepteren, al is evenmin te verwachten dat Cameron plotseling een duidelijke pro-Europese koers zou toestaan. Zo’n coalitie zou zich naar verwachting per saldo tamelijk neutraal opstellen op dit gevoelige terrein. Het zou echter ook een bron van grote interne conflicten kunnen worden.

Wie had gehoopt dat de Britten door de jaren heen warmer zouden lopen voor Europese samenwerking is bedrogen uitgekomen. „De scepsis over Europa is alleen maar toegenomen in Groot-Brittannië”, erkent het Lagerhuislid Denis MacShane, onder Tony Blair enige tijd minister voor Europese zaken. „Maar we vormen in dat opzicht geen uitzondering. Die renationalisatie van de politiek zie je ook in andere Europese staten, waaronder Nederland.”

Feit is wel dat er geen grote partij is in enig ander Europees land die zo gereserveerd staat tegenover ‘Europa’ als de Conservatieven. „Twintig jaar geleden had je nog een hoop vooraanstaande Tories die pro-Europees waren”, constateert Tilford. „Nu maak je alleen kans als Conservatief kandidaat voor een Lagerhuiszetel te worden geselecteerd als je Eurosceptisch bent.”

In geen land ook doet een partij aan de nationale verkiezingen mee wier enige doel is Groot-Brittannië uit de EU terug te trekken: de UKIP. En nergens zijn kranten te vinden die zo openlijk hun afkeer van Europa belijden als hier. Boulevardbladen als The Sun en The Daily Mail doen het steevast voorkomen alsof ‘Brussel’ Groot-Brittannië met wortel en tak poogt uit te roeien. Beide kranten ageerden heftig tegen het Lissabon-verdrag, dat de EU slagvaardiger beoogde te maken. Ze eisten, net als de Tories, een referendum over de zaak. Brown negeerde die wens.

Het credo van de Eurosceptici werd door niemand kernachtiger verwoord dan door oud-premier Margaret Thatcher, lang nadat ze tot aftreden was gedwongen. „Vrienden, we zijn gewoon het beste land in Europa”, zei ze voor een gehoor van Schotse Tories op een partijcongres in Blackpool. „Tijdens mijn leven zijn alle problemen gekomen van het Europese vasteland en alle oplossingen van de Engels sprekende naties over de hele wereld.”

De Britten hebben vanaf het begin ambivalent gestaan tegenover de Europese samenwerking. Als grote koloniale mogendheid met een mondiale blik waren de Britten niet direct bereid zich exclusief op de rest van Europa te richten. Pas in 1973 sloten ze zich bij de toenmalige Europese Economische Gemeenschap aan, zij het niet van harte. „Groot-Brittannië sloot zich er als enige slechts bij aan omdat we het gevoel hadden dat we geen andere keus hadden. Voor ons was het geen teken van kracht maar van zwakte”, aldus Clegg tegen deze krant in 2008.

Ook toen de Britten eenmaal in de EEG zaten bleef de samenwerking stroef verlopen. Deels was dat te wijten aan het feit dat de Britten al meteen de grootste netto-betaler werden. Met hun kleine, relatief efficiënte landbouwsector profiteerden ze nauwelijks op het terrein met de grootste subsidiestromen. Het kostte Thatcher jarenlang om de roemruchte ‘rebate’, een terugstorting van een deel van de Britse bijdrage, te verkrijgen.

De Britse deelname aan de Europese monetaire samenwerking eindigde in een fiasco, toen de Britse regering zich op 16 september 1992 onder zware druk van de financiële markten genoopt zag uit het Europese Wisselkoersmechanisme te treden. Het leverde de Conservatieven, die toen nog aan het bewind waren, een trauma op. „Ook dat heeft de betrekkingen met Europa heel erg geschaad”, meent Tilford.

De huidige leider David Cameron maakte die episode als adviseur van minister van Financiën Lamont van nabij mee. Het helpt verklaren waarom Cameron vorige week tijdens het laatste televisiedebat met zijn rivalen Brown en Clegg categorisch verklaarde dat een Conservatieve regering nooit de euro zou invoeren – zoals ook Brown daar zeer terughoudend mee is. Alleen Clegg is er onder bepaalde omstandigheden voor.

De verwachtingen waren hooggespannen toen Tony Blair in 1997 aantrad met een overweldigend kiezersmandaat. Blair was de meest Europagezinde premier sinds Edward Heath, hij sprak uitstekend Frans en hij was een verklaard voorstander van de euro. Ironisch genoeg was het juist de steun van Blair voor de Amerikaanse inval in Irak die in 2003 tot een soort schisma binnen Europa leidde. Bovendien bleek hij niet bij machte het verzet van Brown, toen minister van Financiën, tegen de euro te breken.

Is de oogst van dertien jaar Labour dan louter teleurstellend? Nee, zegt MacShane. Hij wijst erop dat Blair de eerste aanzetten gaf voor Europese samenwerking op het terrein van defensie en buitenlands beleid. De Labour-regering hoorde ook tot de sterkste voorstanders van de uitbreiding van de EU met nieuwe lidstaten uit Midden- en Oost-Europa. MacShane: „Groot-Brittannië zette onder Labour de deur verder dan wie ook open voor werknemers uit de nieuwe lidstaten. Honderdduizenden Polen en anderen hebben zich hier gevestigd. Dat betekende een impuls voor de Europese samenwerking, niet alleen economisch gezien maar ook cultureel.”

Het Labour-tijdperk lijkt voorbij. Wat er voor in de plaats komt, zal zich op zijn vroegst morgen aftekenen. Slechts weinigen in Londen rekenen echter op een pro-Europese omslag.