Bijna niks is altijd geniaal

’t Meeste wat een mens op kunstopeningen zegt kan hij in een map bewaren om ’t op een volgende kunstopening weer te gebruiken. Voor de kunstcriticus en zijn kritieken geldt hetzelfde.

Altijd is daar het hedendaagse tumult rondom ons, altijd heeft ons een kunstenaar meer te vertellen dan je zo op het eerste gezicht zou zeggen. Altijd worden er meelslierten in creatieve uitspattingen omgebogen.

Dooddoeners worden sleutelbegrippen en echt handige begrippen maken geen kans. Kritiek wil eeuwig lijken, maar ’t blijft een kwestie van beurs en catwalk. Een begrippenpaar dat uit de gratie is geraakt is het begrippenpaar tekort en teveel. Het werd ooit, meen ik, door Simon Vestdijk geïntroduceerd. Hij had het daarbij over poëzie met, als ik me goed herinner, Slauerhoff als een typisch dichter van het teveel. Een dichter die duizenden gedichten leek te kunnen schrijven, almaar door – gedichten die overliepen van vitaliteit, en van veel spontane en overbodige woorden.

Goeie gedichten, maar teveel van het goeie.

Het begrippenpaar tekort en teveel is heel bruikbaar bij het bekijken van kunst. Ik betrap me erop dat het zich vaak aandient in mijn hoofd, als ik in een galerie of een museum sta. Klop, klop – ik kan er niets aan doen. Of ik er veel verder mee kom weet ik niet.

Het begrippenpaar biedt wel een zinnig handvat bij de richtingenstrijd die al meer dan een eeuw in de schilderkunst woedt. Is Mondriaan een schilder die van een teveel (een woud van bomen en takken) op weg is naar een tekort (twee rechte lijnen)? Recht-op-het-doel-af valt altijd te begrijpen, vandaar de populariteit van Mondriaan. Wat Sinterklaas voor de katholieken is, is Mondriaan voor de calvinisten.

Maar waarschijnlijk was Mondriaan al van het begin een schilder van het tekort. Een zuinige man die zijn boomtakken verving door lijnen. Die niet van veel naar minder ging, maar van weinig naar minder. Een koekoek éénzang of, kunstzinniger gezegd, een principieel purist. De bewondering van de kunsthistorici die zich bezighouden met de inmiddels hoogbejaarde avant-garde ging en gaat altijd uit naar de kunst van het tekort.

Voor minimalisme en bijna-niks bestaat een groot ontzag. Dat heeft vooral te maken met het Hollandse idee van: als je nauwelijks iets produceert moet het wel heel bijzonder zijn.

Wie maar heel weinig doet maakt ook minder kans op vergissingen, zou je zeggen, maar dat drukt het ontzag nauwelijks.