Assistent -mentor

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton

Twee maanden nadat ik was begonnen als conciërge op de Van Eldenschool kreeg ik er een taak bij. Ik werd assistent-mentor van mevrouw Visser. Dat zat zo: toen ik Bouzian in mijn conciërgehok motiveerde om door te gaan met zijn opleiding, had mevrouw Visser meegeluisterd. Ze was onder de indruk: ik wist Bouzian zijn vertrouwen terug te geven door hem op een toon aan te spreken die de leraren niet in huis hadden.

„Zou je hetzelfde wat je bij Bouzian deed ook bij andere leerlingen willen doen, maar dan als mijn assistent-mentor?” vroeg mevrouw Visser.

„Ik uw assistent?” Ik stribbelde tegen. Ik zag mezelf absoluut niet in de rol van leerlingenbegeleider. „Ik word niet eens aangenomen voor licht administratief werk en dan vraagt u mij om mentor te worden?” „Omdat ze je niet kennen, Driss. Ik heb net gezien wat je kan.” „Wat kan ik dan?” „Jij kunt sommige leerlingen begrijpen zoals ik ze niet kan begrijpen. En omgekeerd kunnen sommige leerlingen jou begrijpen zoals ze mij niet kunnen begrijpen.”

Ik dacht aan de tijd dat ik in de internationale schakelklas zat. De leraren waren vriendelijk en behulpzaam, maar ik miste een voorbeeld, iemand net als ik die mij was voorgegaan en zijn ervaringen met mij kon delen. Ik besprak de voors en tegens met Jolanda en de volgende dag bracht ik mijn besluit over aan mevrouw Visser: „Ik doe het.”

Mevrouw Visser was de mentor van twee schakelklassen, die elk een uur per week een mentorles kregen. De leerlingen met een te hoge absentie en lage cijfers, moesten na de mentorlessen blijven zitten. Mevrouw Visser vertrok en ik ging dan op haar stoel zitten en vroeg ze om hun hart te luchten. „Wat is er aan de hand?” vroeg ik tijdens mijn eerste les als assistent-mentor. Ik werd aangestaard door vijf paar ogen. Ze kenden mij als ome Driss de conciërge. Hier was ik meneer Tafersiti de leraar. Tegen een leraar waren ze uit gewoonte minder openhartig. Toen er na vijf minuten nog altijd geen vlot gesprek op gang kwam, staarde ik naar de mouwen van mijn overhemd dat ik speciaal voor die dag had aangetrokken. Ik kreeg een ingeving. Ik stond op, liep naar mijn conciërgehok en kwam even later gekleed in mijn blauwe stofjas de klas weer binnen. „Wat is er aan de hand?” vroeg ik voor de tweede keer. De leerlingen begonnen te grinniken en ontspanden zich. „Waarom kom jij altijd te laat, Mesut?” vroeg ik aan een forsgebouwde Turkse jongen die achter in de klas zat. „Kurant, ome Driss.”

„Kurant?” vroeg ik. „Ja meneer, elke dag ik wakker om vijf uur kurant brengen en daarna ik moet een beetje slapen, anders ik altijd moe.” Mesut versliep zich elke ochtend omdat hij in drie grote wijken De Telegraaf moest rondbrengen. De redenen waarom Mesut en de anderen slecht presteerden op school lag niet aan een gebrek aan goede wil. De een woonde in een overvol huis en kon niet rustig studeren, de ander had te veel bijbaantjes omdat hij zijn ouders financieel moest bijstaan en sommigen hadden een te laag zelfbeeld en durfden de leraren niet om verdere uitleg te vragen. De hoeveelheid problemen waar deze jongeren mee zaten was overweldigend. Ik besefte dat ik mij er niet van af kon maken met het riedeltje: „Ik Driss kan het, dus jij ook.” Iedereen moet zijn eigen pad bewandelen. Het enige wat ik voor ze kon doen was naar hun verhalen luisteren en mijn ervaringen aanbieden.