Arabieren vrezen nieuwe oorlog

Israël voelt zich bedreigd door Iran en zijn Arabische bondgenoten. Maar Israëlische beschuldigingen tegen Hezbollah maken juist de Arabieren bang.

Na een pauze van zestien maanden zijn Israël en de Palestijnse Autoriteit gisteren weer over vrede gaan praten. Maar in het Midden-Oosten wordt niet gerekend op vrede, maar oorlog gevreesd.

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Hillary Clinton, waarschuwde een week geleden dat Israël „wordt geconfronteerd met de zwaarste uitdagingen in zijn geschiedenis”. Ze wees daarbij op het gevaar dat uitgaat van Iran met zijn omstreden nucleaire programma, Syrië, Hezbollah en Hamas. „De bedreigingen van de Israëlische veiligheid zijn werkelijk, ze groeien en ze moeten worden aangepakt.”

Misschien nog meer voelen de Arabieren zich bedreigd door Israël.

De kans op een succesvolle uitkomst van het indirecte Israëlisch-Palestijnse overleg is nihil. Er is geen sprake van dat de Israëlische regering concessies doet in Jeruzalem, waarvan het bezette oostelijk deel door de Palestijnen als hoofdstad van een toekomstige staat wordt opgeëist. In de huidige politieke atmosfeer is ook het opgeven van nederzettingen in bezet gebied uitgesloten; zelfs de ook in Israël illegaal geoordeelde buitenposten worden niet gesloopt. De Palestijnen op hun beurt zijn verzwakt door het conflict tussen president Abbas’ Fatah en het fundamentalistische Hamas.

De Jordaanse koning Abdullah, samen met Egypte de enige Arabische vredespartner van Israël, heeft de afgelopen weken herhaaldelijk gewaarschuwd dat de toestand uit de hand loopt. „Israël speelt met vuur wat betreft Jeruzalem”, herhaalde hij vorige week nog in een gesprek met journalisten in Amman.

Nog gealarmeerder klonk hij over Libanon. In een vraaggesprek met de Wall Street Journal waarschuwde hij vorige maand dat er „verschrikkelijke spanning heerst” in het gebied. In Libanon „hebben ze het gevoel dat er elk ogenblik oorlog kan uitbreken”, voegde hij eraan toe.

Dat was nog vóór drie weken geleden de crisis uitbrak waarbij Israël Syrië ervan beschuldigde de Libanese organisatie Hezbollah Scud-raketten te leveren, die met hun bereik van meer dan 300 kilometer heel Israël kunnen raken. Amerikaanse woordvoerders gingen niet zover, maar wezen erop dat de levering van „steeds geavanceerder bewapening” aan Hezbollah ook „een belangrijk risico” voor Libanon vormt. Daarmee doelden ze impliciet op de verwoestingen die de Israëlische strijdkrachten in de zomeroorlog van 2006 tegen Hezbollah in grote delen van Libanon aanrichtten. Israël ziet Hezbollah als gewapende arm van Iran en een belangrijke bedreiging.

Syrië ontkende met kracht dergelijke raketten te hebben geleverd. Ook de Libanese regering ontkende dat er Scuds waren geleverd – premier Hariri vergeleek de Israëlische beschuldigingen met de berichten over de niet bestaande massavernietigingswapens van Saddam Hussein die de Amerikaans-Britse invasie van Irak moesten wettigen. Gisteren meldde ook de VN-vredesmacht UNIFIL „geen enkel bewijs” te hebben van de aanwezigheid van Scuds in Zuid-Libanon, dat een belangrijk bolwerk is van Hezbollah.

De Libanese regering was in totale paniek, zei later de Egyptische minister van Buitenlandse Zaken, Ahmed Aboul-Gheit. Hij bracht een kort bezoek aan Beiroet, waar hij de Israëlische beschuldigingen als „belachelijke leugens” afdeed. „Egypte staat naast Libanon onder alle omstandigheden en tegenover elke bedreiging”, zei hij tegen journalisten.

Israëlische generaals en politici hebben er na de oorlog van 2006 geen misverstand over laten bestaan dat in een volgend conflict nog grotere schade zal worden aangericht: vandaar de gemelde paniek in Beiroet. Generaal Gadi Eisenkot, commandant van de regio Noord-Israël, onderstreepte in januari nog dat Israël een „disproportioneel offensief” zal lanceren in een nieuwe oorlog tegen Hezbollah. Eerder zei hij dat eenzelfde tactiek ten aanzien van Syrië kan worden gebruikt.

De Israëlische minister van Defensie, Ehud Barak, waarschuwde vorige week in Washington Libanon en Syrië beide dat Israël hun verantwoordelijk stelt als Hezbollah wapens krijgt die „de balans verstoren”.

De Arabische legers zijn volstrekt niet opgewassen tegen de Israëlische vuurkracht. Het Libanese leger werd in 2007 pas na maanden vechten een paar honderd moslimextremisten de baas die zich in een Palestijns kamp hadden verschanst. De Syrische strijdkrachten onthielden zich van elke reactie na de aan Israël toegeschreven aanval op een vermeende nucleaire installatie in Syrië in 2007.

Ook toen Israël in 2006 zijn bondgenoot Hezbollah aanviel na de ontvoering van twee Israëlische militairen, reageerde Damascus niet. Hezbollah heeft volgens verschillende bronnen zijn rakettenarsenaal, met of zonder Scuds, weer op peil gebracht sinds 2006. Maar het heeft er geen belang bij een nieuwe oorlog te provoceren en zijn huidige machtspositie in Libanon in gevaar te brengen.

In de regio wordt gespeculeerd dat de Israëlische beschuldigingen niet alleen dienen als rechtvaardiging voor een eventuele aanval op Hezbollah. Ook zouden zij te maken hebben met de recente strategische verschuivingen in het gebied, waarbij Turkije zich verwijdert van zijn oude bondgenoot Israël en zijn betrekkingen met Iran en Syrië verbetert. De Israëlische regering zou op deze manier Washington willen bewegen tot een hardere politiek ten aanzien van de laatste twee landen, ondanks de onderlinge wrijving over de nederzettingenpolitiek.

Hoe dan ook blijven de Israëlische waarschuwingen aanhouden. Brigade-generaal Yossi Beiditz, hoofd onderzoek van de militaire inlichtingendienst, zei gisteren dat nog onlangs lange-afstandsraketten door Syrië aan Hezbollah zijn overgedragen. „En dit is nog maar het topje van de ijsberg”, zei hij in het Israëlische parlement.