Zo zacht als berkenblaadjes

Sommige groenten maak je altijd maar op één manier klaar. Alsof er niets anders mee te doen is. De laatste jaren zijn er gelukkig ontzaglijk veel dingen verzonnen met alle groenten – ik bedoel meer dingen dan: in roomsaus, met tomatensaus, als sla met een vinaigrette. Er is een tijd geweest dat alle groenten gepureerd moesten worden en als een soort stijve pudding opgediend – die tijd was een vergissing. Net zoals de rauwkosttijd wel erg veel kaakbewegingen opleverde.

De hernieuwde verschijning van de rauwkost onder de naam ‘raw food’ (het klinkt zoveel moderner als je er Engels bij spreekt) is ook geen grote hit geworden, al bestaan er gelovigen die álles rauw eten. Ik zag eens op de televisie een Amerikaans gezin dat zelfs rauwe kip at, wat levensgevaarlijk lijkt. Ze waren zo gewend aan rauw eten dat een van de kinderen meteen ziek werd toen er een keer op hevige aandrang van een buitenstaander een hamburger werd gegeten.

Nu ja, daar kan iedereen zich makkelijk wat raar van voelen.

Maar behalve dus enkele gelovigen hoor je eigenlijk nooit meer iemand over rauw eten. Het hoeft niet. Althans: niet strikt. Soms is het heerlijk.
Tot de groenten die meestal maar op één manier bereid worden horen, wat mij betreft althans, andijvie en raapstelen. En die gaan alle twee altijd ook nog op dezelfde manier: rauw door de aardappelpuree, eventueel wat uitgebakken spekjes erdoor, schouderkarbonaadje erbij en smullen maar.
Maar onlangs vertelde een vriendin iets over een raapsteeltjessaus.

Raapsteeltjessaus? Het klinkt uiterst onwaarschijnlijk, geef toe. Maar zij was er dolverrukt over en deze vriendin schiet niets te kort in smaak, eetlust en kooklust. Ze had ’m over de tuinboontjes gedaan. „Dubbelgedopte tuinbonen, met doperwtjes met citroenolie en geraspte citroenschil, met daar doorheen de raapsteeltjes saus, daarop wolkjes zachte geitenkaas en flufjes geroosterde amandelsnippers. Zacht als ontluikende berkenboomblaadjes. Echt jum,” schreef ze.

Dus ik heb de raapsteeltjessaus nu ook een paar keer gemaakt. Bij garnalengehaktballen met gestoomde aardappelen en ook over gekookte worteltjes en, ja, hij is overal goed bij.

De raapsteeltjessaus is angstaanjagend eenvoudig te maken, dat is ook al zoiets moois ervan. En hij geeft ongelooflijk voorjaarsachtige gevoelens.

Dus hup naar de groenteboer, de groentekraam of de natuurwinkel en raapsteeltjes scoren. Dan eerst een keer raapsteeltjesstamppot eten, omdat dat zo onweerstaanbaar is, en dan experimenteren met de saus.

Raapsteeltjessaus (voor 4 personen)

  • 2 bosjes raapstelen
  • boter
  • 1 teentje knoflook, fijngesneden
  • evt. drupje citroen

Was de raapsteeltjes en laat ze uitlekken. Snij eventuele worteltjes ervan af, snij de de rest van de raapstelen in stukken.
Laat de boter smelten in een koekenpan en roerbak de raapsteeltjes 1 minuut. Kies voor een wat mildere of een hevigere knoflooksmaak door de knoflook wel of niet mee te roerbakken – van bakken wordt-ie milder.

Draai het gas uit, bestrooi de raapstelen met peper en zout en maal ze met de rauwe of gestoofde knoflook fijn in de keukenmachine of met de staafmixer. Doe er naar keus een drupje citroensap bij en eventueel nog wat extra boter.

Giet de saus over waar hij over moet, en dat kan heel veel zijn.