We waren er zelf niet bij, en toch...

‘Dit mag nooit meer gebeuren’, ‘Eerst mijn fiets terug’, ‘zes miljoen’.

Het is nog steeds populair om te verwijzen naar WO II. En het ligt nog steeds gevoelig.

De oorlog gaat met pensioen: morgen is het 65 jaar geleden dat Nederland werd bevrijd van de Duitsers. Maar hoewel het overgrote deel van de Nederlandse bevolking de bezettingstijd niet heeft meegemaakt, zijn verwijzingen naar deze periode nog steeds populair. Wel is onze houding ten opzichte van de Tweede Wereldoorlog veranderd. Dat blijkt als je een aantal populaire ‘oorlogsuitspraken’ uit verleden en heden naast elkaar zet.

‘Eerst mijn fiets terug…’

In de zomer van 1942 vorderde de Duitse Wehrmachtsbefehlshaber in Nederland fietsen van de Nederlandse bevolking. Duitse soldaten zouden zich met dit typisch Hollandse vervoermiddel snel kunnen verplaatsen bij een eventuele geallieerde invasie. Bij huis-aan-huis acties en ‘fietsenrazzia’s’ op straat werden in totaal zo’n 53.000 rijwielen geconfisqueerd.

De verontwaardiging over de diefstal van de Duitsers was groot. Dat had de bezetter zelf ook wel door. „De Nederlander, die bijna met de fiets geboren wordt, ziet in de inbeslagneming hiervan zo ongeveer het ergste, wat hem kan treffen”, stond in een Duits maandrapport.

De actie maakte dus diepe indruk – ook na de bevrijding. Hoewel al snel duidelijk werd dat meer dan 100.000 Nederlandse Joden de oorlog niet hadden overleefd, leek het wel of de Nederlandse bevolking zich vooral druk maakte over het materiële verlies dat in de oorlog was geleden.

‘Eerst mijn fiets terug…’ werd een gevleugelde uitspraak, die zowel het recht op schadevergoeding als de gevoelde haat tegen de Duitsers uitdrukte. Pas met het afbetalen van de Wiedergutmachung in 1960 normaliseerden de Nederlands-Duitse betrekkingen zich enigszins, al vonden veel Nederlanders dat Duitsland nog steeds een morele schuld had in te lossen.

Die inlossing kwam er in 1969, toen de Duitse Bundespräsident Heinemann een krans legde bij de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, vanwaar tienduizenden Joden waren afgevoerd naar concentratiekampen. Vanaf dat moment was het ‘Eerst mijn fiets terug’ steeds minder te horen, al kom je de uitspraak in cartoons of op spandoeken bij voetbalwedstrijden tussen Nederland en Duitsland nog weleens tegen.

‘Dit mag nooit meer gebeuren…’

In de jaren zestig veranderde de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. De systematische Jodenvervolging door de nazi’s – de Holocaust of Shoah – was op de voorgrond komen te staan. Dat kwam door verschillende grote (inter)nationale gebeurtenissen. In 1961-62 was er wereldwijde mediabelangstelling voor het proces tegen de nazi-‘schrijftafelmoordenaar’ Adolf Eichmann in Jeruzalem.

Tegelijkertijd liet Loe de Jong in zijn veelbekeken documentaireserie De Bezetting (1960-1965) foto’s zien van massagraven in de vernietigingskampen. En historicus Jacques Presser publiceerde in 1965 Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom, 1940-1945, dat massaal werd gelezen.

In korte tijd kantelde de Nederlandse herinnering aan de bezetting. Volgens een nieuwe generatie was de Nederlandse bevolking niet meer slachtoffer van de Duitse vijand, maar collectief schuldig aan de deportatie van percentueel het grootste aantal Joden in Europa.

Deze omslag had zijn invloed op de omgang met internationale politiek. Waar voorheen buitenlandse conflicten met een anticommunistische Koude Oorlog-bril werden bekeken, legden de jongeren voortaan elke nieuwe internationale kwestie tegen de morele meetlat van de Holocaust – zo’n grote catastrofe ‘mocht nooit meer gebeuren’. Het openlijke verzet tegen de Vietnamoorlog was er een uitwerking van, evenals massale demonstraties tegen neutronenbommen en kruisraketten in de jaren zeventig en tachtig.

Maar de ‘collectieve schuld’ kwam het meest aan de oppervlakte in 1993, toen Nederland als enige westerse land bereid was militairen naar de VN-moslimenclave Srebrenica te sturen om daar de veiligheid van de lokale bevolking te garanderen. Nederland zou niet meer passief toekijken, zoals dat in ’40-’45 was gebeurd.

Tenminste, dat was de bedoeling. De Nederlandse blauwhelmmissie naar Srebrenica eindigde in een drama. De manier waarop Serviërs moslimmannen en -vrouwen van elkaar scheidden, deed denken aan de razzia’s van Joden in de oorlog. Het leidde tot een nieuw – maar niet vervangend – nationaal trauma, dat overigens eveneens ‘nooit meer’ mocht gebeuren.

‘Hamas, Hamas, alle Joden aan het gas…’

Srebrenica leidde er niet toe dat de verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog voortaan werd vermeden. Sterker nog, er zijn meerdere terreinen waarop nog vaak oorlogsconnotaties terugkeren. Bijvoorbeeld als het gaat om de opkomst van populistische politici. Toen Pim Fortuyn in zijn beruchte Volkskrant-interview uit 2002 met de gedachte speelde om artikel 1 uit de Grondwet te schrappen, vroeg toenmalig D66-leider Thom de Graaff zich hardop af: „Zijn we Anne Frank vergeten?”

De PVV van Geert Wilders is al meerdere keren vergeleken met nationaal-socialistische partijen uit de jaren dertig en veertig. Onlangs zag oud-minister Ella Vogelaar „schokkende parallellen” met de NSB van Anton Mussert. En afgelopen weekeinde nog verklaarde de prominente CDA-partijbestuurder Hannie van Leeuwen dat de PVV haar doet denken aan Hitlers NSDAP, waarbij ook „maar één man het voor het zeggen had”.

Een ander terrein waarop zodanige emoties loskomen dat de oorlog erbij wordt gehaald, is het Israëlisch-Palestijns conflict. De laatste decennia globaliseerde dit geschil. Lot- en geloofsgenoten en sympathisanten van beide groepen, (Joodse) Israëliërs en (Arabische) Palestijnen, vereenzelvigen zich met het probleem daar. Ook in Nederland. De Holocaust is een belangrijke reden dat de Nederlandse regering bij monde van minister Verhagen het bestaansrecht van Israël met volle overtuiging steunt, „als een droom die pas na de Tweede Wereldoorlog echt gerealiseerd kon worden”.

Hiertegenover staat iemand als Gretta Duisenberg, voorzitter van de actiegroep Stop de Bezetting. Toen haar acht jaar geleden bij een handtekeningactie tegen de Israëlische kolonisatiepolitiek door een radiojournaliste werd gevraagd op hoeveel handtekeningen zij hoopte, antwoordde ze: „Even kijken, zes miljoen” – een verwijzing naar het totaal aantal Joodse slachtoffers van de Holocaust. En op een pro-Palestijnse demonstratie in 2002, met overigens een ongekend groot aantal allochtone demonstranten, waren leuzen te horen als ‘Israël nazistaat’, ‘Stop de Palestijnse Holocaust’ en ‘Hamas, Hamas, alle Joden aan het gas’.

Deze laatste slogan is ook de afgelopen weken weer veelvuldig door Rotterdamse ‘supporters’ gescandeerd rondom de bekerfinale(s) tussen Ajax en Feyenoord. Ajacieden lieten zich evenmin onbetuigd: op een fansite stond een foto van het bombardement op Rotterdam, met als toevoeging: „70 jaar na dato moet die stad weer helemaal plat!” Een oproep die heftige reacties opriep – niet voor niets werd de foto binnen enkele uren verwijderd.

Uit dit laatste blijkt eens te meer hoe gevoelig verwijzingen naar de bezettingstijd nog steeds liggen. Hoe verder de oorlog in tijd van ons af staat, hoe vaker hij lijkt te worden ingezet. Ging het in de directe naoorlogse periode nog over puur materiële zaken, vanaf de jaren zestig kwam er een morele dimensie bij. De Holocaust werd het ijkpunt aan de hand waarvan je goed of fout gedrag kon bepalen. De laatste tijd komt de oorlog steeds meer terug als provocatiemiddel – zowel in het publieke debat als in voetbalstadions.

Voor dit artikel is gebruikgemaakt van de onlangs verschenen bundel van Madelon de Keizer en Marije Plomp (red.), ‘Een open zenuw. Hoe wij ons de Tweede Wereldoorlog herinneren’ (Uitgeverij Bert Bakker).