Van bezuinigingen reppen de lijsttrekkers amper

Hoe staat de Britse economie ervoor aan de vooravond van de verkiezingen? „We zitten vast alweer in een nieuwe recessie.”

Opzwepende muziek dreunt door de open raampjes als Kash Zaman (31) zijn oude Volkswagen voor een grauw flatgebouw parkeert. Het zou hier, in de stad Luton bij Londen, een feestelijke dag voor hem moeten zijn. Op zijn werk in een naburige fabriek, waar hij machines bedient, heeft hij een loonsverhoging van een paar procent gekregen. Maar hij wordt er niet warm of koud van. „Ik heb er niets aan”, zegt Zaman, die zich enige dagen niet heeft geschoren. „Het gaat toch allemaal op aan hogere prijzen voor voedsel, benzine en sigaretten.” Twee jaar geleden konden hij en zijn vrouw nog wat sparen, nu houden ze nauwelijks het hoofd boven water. Zaman: „Ik zit erover te denken naar Bangladesh terug te gaan, waar ik vandaan kom. Hier gaat alles bergafwaarts.”

Het is aan de vooravond van de Lagerhuisverkiezingen van komende donderdag een veelgehoorde klacht. Hoewel uit cijfers van het Bureau voor de Statistiek blijkt dat de Britse economie weer een beetje groeit – 0,2 procent in het eerste kwartaal van dit jaar – blijft het voor een groot deel van de bevolking aanmodderen.

Neem Christine Armstrong, die in Soulby, in de heuvels van noordwestelijk Engeland, een zaak met tien werknemers drijft in duurzaam isolatiemateriaal voor muren en plafonds, gemaakt van samengeperste wol van lokale schapen. Het is een conjunctuurgevoelige bedrijfstak. Toen de economie op volle toeren draaide, vond haar isolatiemateriaal veel aftrek, ook al is het duurder dan kunststof. Maar zodra de recessie intrad, holden haar inkomsten achteruit. „Op het moment worstelen we echt”, zegt Armstrong in haar knusse kantoortje, dat bezaaid ligt met monsters van isolatiemateriaal. „Voor iedereen geven plotseling de kosten de doorslag, zelfs voor de overheid.”

Spijtig genoeg voor Zaman, Armstrong en zo vele anderen zijn de vooruitzichten voor de economie in de nabije toekomst niet rooskleurig. Het Institute for Fiscal Studies (IFS), een gerenommeerde economische denktank, waarschuwde de Britten vorige week dat ze zich erop moeten voorbereiden de broekriem verder aan te halen. Dat de politici daarover tijdens de verkiezingscampagne nauwelijks hebben gerept, laat staan hebben verteld hoe ze bezuinigingen willen doorvoeren, is volgens het instituut een pijnlijke nalatigheid.

Het begrotingstekort in het net afgesloten begrotingsjaar bedroeg 11,6 procent van het bruto binnenlands product, niet veel minder dan dat van Griekenland. Om het tegen 2014 te halveren, zoals alle grote politieke partijen zeggen te willen, moet er ingrijpend worden bezuinigd. De enige keus die de nieuwe regering heeft, is snijden in de salarissen van ambtenaren, de bouw van scholen, in het wegenonderhoud of in uitkeringen. Of ze zou kunnen kiezen voor belastingverhoging.

Met dat laatste dreigt de overheid de particuliere sector nog verder weg te drukken. De collectieve uitgaven bedragen volgens het IFS in het lopende begrotingsjaar 48 procent van het bbp, in Noord-Ierland zelfs 70 procent, in Wales 69 procent en in Schotland 55 procent. Dat is aanzienlijk meer dan toen Labour dertien jaar geleden aantrad. Opeenvolgende Conservatieve kabinetten hadden de collectieve uitgaven in de jaren ’80 en ’90 juist weten terug te brengen tot 39,9 procent in 1997.

De donkere economische vooruitzichten zijn vooral pijnlijk voor premier Gordon Brown, de man die het Britse economische en financiële beleid van de afgelopen dertien jaar meer dan wie ook heeft bepaald. Jarenlang pochte hij als minister van Financiën dat onder zijn bewind het oude patroon van boom and bust, de economische cyclus van hausse en recessie, voorgoed tot het verleden behoorde.

„De geschiedschrijving zou wel eens onvriendelijk over Brown kunnen oordelen”, meent Roger Bootle, directeur van het consultancybedrijf CapitalEconomics en adviseur van accountantsbureau Deloitte. Het land maakte volgens Bootle in de eerste tien jaar van Labour een klassieke boom door met hoge consumptieve bestedingen. Brown deed niets om dat af te remmen. Bootle: „Dat was een enorme misrekening en het is een ironie van de geschiedenis dat Labour, dat vanouds zo gelooft in de weldadige werking van de staat, ditmaal juist niet ingreep toen het nodig was.”

In 2007, kort nadat Brown het premierschap van Tony Blair had overgenomen, kwam de klad erin. De drijvende krachten achter de boom, de banken en de onroerend-goedsector, liepen vast en zo kwam de hele economie plotseling onder zware druk. Hoewel de kredietcrisis van Amerikaanse makelijk was, bleek het Verenigd Koninkrijk er kwetsbaarder voor dan veel andere landen. Niet alleen wegens de grote omvang van zijn financiële sector, maar ook wegens Browns beleid. In de woorden van de Conservatieve leider David Cameron: „Brown verzuimde het dak te repareren, toen de zon nog scheen.”

Zes kwartalen achtereen verkeerde het land in een diepe recessie, langer dan enige andere grote westerse economie. De regering zag zich genoopt de Britse banken met 800 miljard euro te hulp te schieten. Ook werden de regels voor kapitaalreserves verscherpt, zodat de situatie niet meer, zoals in 2008, uit de hand zou lopen. Daardoor hebben de banken nu echter minder speelruimte en kunnen zij minder kredieten verstrekken. Voor zowel ondernemers als huizenkopers is het als gevolg daarvan moeilijker krediet te krijgen en blijft de economie naar verwachting voorlopig op een laag pitje staan.

Het is niet het enige pijnlijke in de nalatenschap van Brown. Ook het feit dat de kloof tussen rijk en arm onder Labour groter werd, is een bron van verlegenheid. De enige troost is dat het verschil onder de Conservatieven nog harder toenam. Maar het was slikken voor Labour toen The Sunday Times onlangs meldde dat het fortuin van de duizend rijkste mensen in het Verenigd Koninkrijk het afgelopen jaar met 30 procent was gegroeid.

En The Guardian berichtte begin dit jaar van een geval dat zo uit een roman van Charles Dickens leek weggelopen. Een jonge zwangere vrouw, Holly Billen, uit het zuid-Engelse Wilton besloot tijdens een periode van ijzig winterweer een keukenkastje in stukken te zagen en op te stoken om zichzelf en haar hoestende zoontje van acht warmte te verschaffen. „Ik bedacht me dat ik het meer nodig had voor de warmte dan voor het opbergen van dingen”, vertelde ze de krant.

Uit onderzoek van de liefdadigheidsorganisatie Age Concern bleek afgelopen winter dat een op de vijf bejaarden wel eens een maaltijd oversloeg om geld te sparen voor brandstof, ook al verstrekt de regering in principe een brandstoftoelage voor behoeftige ouden van dagen.

Brown blijft volhouden dat hij de beste stuurman is om de economie weer op gang te brengen. Feit is dat hij volgens de meeste deskundigen op het hoogtepunt van de financiële crisis als eerste maatregelen doorvoerde, die de situatie op de markten enigszins hielpen stabiliseren. Ook wijzen volgens Martin Weale, directeur van het National Institute of Economic and Social Research (NIESR), cijfers uit dat tijdens de Labourjarende Britse groei iets hoger was dan het gemiddelde in andere grote westerse economieën. Het Internationaal Monetair Fonds en andere onafhankelijke instellingen bevestigen bovendien de prognose van de regering dat de groei in 2011 boven de 2 procent ligt.

De voornaamste kopzorg is nu het begrotingstekort. Om te voorkomen dat het land Griekenland achterna gaat, moet de volgende regering snel met een geloofwaardig plan komen, denkt Bootle. „Dat moet aangeven hoe ze het tekort wil verminderen, waarbij de bezuinigingen verspreid moeten liggen over de komende vier of vijf jaar. Ook zou ze alvast een bescheiden belastingverhoging kunnen doorvoeren om de financiële markten te laten zien dat het haar menens is.”

Volgens Weale is de Britse schuld gunstiger opgebouwd dan de Griekse. „Het merendeel van onze nationale schuld hoeft pas over twaalf jaar te worden afgelost, in tegenstelling tot de Grieken en de Ieren met hun kortlopende staatsleningen. Binnen die lange periode moet de Britse regering de zaak onder controle kunnen brengen.”

In plaatsen als Luton heerst nog weinig optimisme. Twee vorkheftruckchauffeurs van een bedrijf dat vrachtwagenladingen afwikkelt hangen bij de poort rond in de zon. Hun bedrijf, dat sterk van de internationale handel afhangt, heeft nauwelijks orders meer. De oudste van de twee, de boomlange Lee Rose, zegt berustend: „Het zou mij niet verbazen als het land al weer in een nieuwe recessie zou zijn beland.”