Overbevissing baarde in 1889 al zorgen

Het kost Britse vissers tegenwoordig zeventien maal meer vermogen om één ton vis aan land te brengen dan in 1889. Het ‘vangstvermogen’ van de Britse vissersvloot is vandaag even groot als in 1937. Toch werd toen veertien keer zoveel vis aan land gebracht als nu.

Onderzoekers uit York melden dit vandaag in het tijdschrift Nature Communications. Ze bevestigen de daling van de visstand van de Atlantische Oceaan. De onderzoekers uit York gaan terug tot 1889. Toen stelden de Britten voor het eerst een vangstregistratie verplicht, omdat gevreesd werd dat de gloednieuwe stoomtrawlers de traditionele zeiltrawlers te zware concurrentie aandeden. Er werd zelfs al overbevissing vermoed.

Om meer inzicht in de ontwikkelingen te krijgen, voerden de onderzoekers een eigen eenheid voor het vangstvermogen in. Als maat kozen ze het vermogen van de klassieke Engelse zeiltrawler, de sailing smack. Daarin werd het vangstvermogen van modernere schepen omgerekend, eerst de stroomtrawlers en na de oorlog de schepen met dieselmotoren inclusief hun lichte, sterke netten en moderne elektronica voor het opsporen van de visscholen. Ten slotte zijn alle geregistreerde visvangsten gerelateerd aan de beschikbare smack-eenheden. In het Britse visserijverleden blijken vier verschillende fasen aan te wijzen. Vanaf 1889 tot in de jaren dertig neemt de vangst in absolute zin steeds toe, maar ten opzichte van het beschikbare vermogen voortdurend af. De achteruitgang van de visstand is dan dus al helder zichtbaar.

Tussen 1930 en 1960 blijft de visaanvoer in absolute zin constant, maar de opbrengst per smack-eenheid neemt toe omdat nieuwe visgronden worden opgezocht. In fase 3 (1960-1980) stort de aanvoer zowel absoluut als relatief in. Na 1980 is het vermogen van de vissersvloot onder Europese druk verminderd.