Mammoet kon tegen koud bloed

Een wolharige mammoet in Siberië, 43.000 jaar dood, had hemoglobine dat goed tegen de kou kon.

Zoogdieren die in koude gebieden leven, hebben weinig aan het bloed waarmee mensen en veel andere zoogdieren uitgerust zijn. Het gewone hemoglobine, dat het zuurstof vervoert, doet zijn werk alleen bij een normale lichaamstemperatuur. Die hebben pooldieren niet altijd: hun poten en staart bevriezen soms bijna. Dat is een nuttige aanpassing. Met warme poten in de sneeuw zouden de beesten snel energie verliezen.

De naaste levende verwanten van de uitgestorven wolharige mammoet zijn de Afrikaanse en Aziatische olifant. Die hebben hemoglobine dat ongeschikt is voor de ijstijd. Hoe losten mammoeten dat op? Die vraag is nog altijd te beantwoorden, want de permafrost verlengt de houdbaarheidsdatum van het DNA van de uitgestorven dieren. Op basis daarvan maakte een internationale groep biologen het mammoet-hemoglobine na.

Aan normaal hemoglobine plakt zuurstof in de kou zo sterk vast, dat het niet bij de cellen terechtkomt. Afgelopen zondag publiceerden de biologen in Nature Genetics dat het hemoglobine van de mammoet anders is.

Chemisch lijkt zijn hemoglobine op dat van de herkauwers van het poolgebied: muskusossen en rendieren. Dat laat zuurstof wel los bij lage temperatuur. De mammoet heeft zijn variant onafhankelijk ontwikkeld, toen het dier anderhalf miljoen jaar geleden het poolgebied opzocht.