Joden Europa doen beroep op Israël

In een petitie pleiten meer dan 4.000 Europese joden voor stopzetting van de Israëlische nederzettingenpolitiek.

„Ik heb meegedaan aan oorlogen. Mijn handen zijn niet schoon. Maar in die oorlogen grepen we elke kans aan die we kregen. Dat wil ik nu ook doen voor de vrede.”

Dat zei H.C. Tovia Ben-Chorin, rabbijn in Berlijn, gisteren in het Europees Parlement in Brussel. Honderden Europese joden verzamelden zich daar om te pleiten voor een Palestijnse staat, die in vrede naast Israël kan bestaan, en voor stopzetting van de nederzettingenpolitiek. Er waren bekende personen bij, zoals de Frans/Duitse politicus Daniel Cohn-Bendit en de Franse filosoof Bernard-Henri Lévy. Ook Alain Finkielkraut, een andere beroemde Franse filosoof, steunt de oproep. Hun beweegreden is bezorgdheid over de toekomst van de staat Israël onder de huidige regeringspolitiek.

JCall heet het initiatief, waarmee de Europese joden „een beroep op de rede” willen doen. Amerikaanse joden deden eerder iets dergelijks onder de naam JStreet. „Het werd hoog tijd dat links dit deed”, zei Zeev Sternhell, een Israëlische historicus op wie een Amerikaanse jood vorig jaar een aanslag pleegde. „Iedereen vindt het ook normaal dat rechts overal actief is en druk uitoefent.” Ruim vierduizend mensen hebben al hun handtekening gezet onder een petitie van JCall.

Maar als iets duidelijk werd, tijdens de conferentie die gisteren werd gehouden, dan is het dat kritiek leveren op Israël niet makkelijk is voor Europese joden. Om te beginnen, omdat ze niet in Israël wonen.

„We vervullen geen dienstplicht, maar alles wat Israël doet, raakt me”, zei Veronique Hayoun uit Zwitserland. „Europese joden worden tóch geassocieerd met Israël”, zei rabbijn Tovia Ben-Chorin. ,,Als zij het zelf niet doen, dan doen hun buren dat wel.”

In Israëlische media wordt JCall sceptisch ontvangen, net als eerder JStreet. De rechtse Jerusalem Post schreef dat JCall „volgens velen niet representatief” is en „eenzijdig de schuld voor de mislukte vredesgesprekken bij Israël legt”.

Bernard-Henri Lévy somde alle bezwaren van critici op, ontleedde ze één voor één, en besloot dat ze allemaal stompzinnig waren. „We zouden hiermee wapens geven aan onze tegenstanders”, zei hij, „Dat argument hoor ik al sinds ik kritiek leverde op de goelag van de Sovjets. Ik ben geen vijand van Israël, ik hou van dat land.”

Daniel Cohn-Bendit, die als Europarlementariër altijd voor theater zorgt, deed dat gisteren ook. „Ik ben een slechte jood”, zei hij. „Ik ben niet besneden en ik heb geen bar mitswa gedaan.” Hij vertelde dat hij in 1973 tijdens een bijeenkomst in Israël al eens had gepleit voor een twee-statenoplossing. „Een Israëlische parlementariër stond op en zei: ‘Dit zijn de joden die jullie willen terugsturen naar Auschwitz’. Ik was een beetje bang. Maar daarna stond een andere man op, een majoor, die verscheidene keren had gevochten voor Israël en gewond was geraakt. Hij zei: ‘Telkens dacht ik dat het de laatste keer was. Maar dat was het nooit. We moeten eens wat anders proberen’. Ik dacht: mazeltov.”