Het boek van de oorlog kan dicht

De Friese verzetsstrijders komen vanaf nu niet langer officieel bijeen. „Die periode is afgesloten”, zegt voormalig lid van een knokploeg Wietze Eizenga.

Het laatste hoofdstuk is uit, het boek kan dicht. Vorige maand reisde Wietze Eizenga (87) nog één keer naar Friesland om er met zijn oude verzetskameraden herinneringen op te halen aan de oorlog. Op de vijfenzestigste verjaardag van de bevrijding van de provincie, 18 april, kwam in Bergum de Vereniging Friesland 1940-1945 voor het laatst bijeen. De leden, allen voormalig verzetslieden, zijn met te weinig en ze zijn te oud om de vereniging nog langer draaiend te kunnen houden. Eizenga: „Het is goed geweest. We hebben onze belofte, om te zorgen voor de achterblijvers van gevallen strijdmakkers, gestand gedaan.”

Toen de Duitsers op 10 mei 1940 de grens overkwamen, wist de toen 17-jarige scholier uit Zutphen wat hem te doen stond. Eizenga was in de jaren dertig door zijn vader meegenomen naar de Duitse stad Kleef. „Daar zag ik de SA marcheren. De maatschappelijke ordening van de nazi’s was voor mij onaanvaardbaar.”

Hij hielp in de meidagen van 1940 een Joodse vrouw naar een onderduikadres. Het was de eerste voorzichtige stap op een pad dat uiteindelijk zou leiden tot gewapend verzet tegen de Duitsers.

Om aan de Arbeitseinsatz, de tewerkstelling in Duitsland, te ontkomen, dook Eizenga in 1943 onder op het Friese platteland. „Bij de boer waar ik zat, kwam geregeld een man over de vloer die actief was in het verzet. Hij vroeg me lid te worden van een knokploeg.”

Eizenga stemde toe. „Ik kon de consequenties van die beslissing niet helemaal overzien, maar ik wist wel dat het gevaarlijk was. We waren op de hoogte van het bestaan van concentratiekampen en het Friese verzet luisterde het plaatselijke kantoor van de Sicherheitsdienst af. We wisten dus hoe de verhoren er daar aan toe gingen. Maar dat maakte ons juist nog meer vastberaden.”

De knokploeg van Eizenga hield zich bezig met het overvallen van distributiekantoren en het zetten van andere kraken die nodig waren om mensen in de onderduik van voedselbonnen en levensmiddelen te voorzien. Daarnaast confisqueerden ze fietsen en auto’s die op het punt stonden gevorderd te worden door de bezetter. „Dat waren altijd hele verkleedpartijen, waarbij we in Duits uniform over straat gingen.”

Eizenga’s ploeg had de beschikking over vuurwapens en handgranaten. Hij wil niet zeggen of hij daarvan ooit gebruik heeft moeten maken. „Daar gaan we het niet over hebben.” Het blijft lang stil, terwijl hij uit het raam kijkt. „Wij waren natuurlijk geen geoefende soldaten. Als je moest schieten, was er iets misgegaan.”

Aan zijn tijd in het verzet heeft Eizenga niet alleen Friese vrienden overgehouden. Met de Amerikaanse piloot van een neergestorte bommenwerper, die hij verborg op een hooizolder en daarna op een ontsnappingslijn zette, heeft hij nog altijd contact. „Vlak na de oorlog stuurde hij me dozen vol met kleding. Ik kon er het hele dorp van aankleden.”

Eizenga ontleent zijn identiteit niet aan zijn verzetsverleden, zegt hij. „De dag na de bevrijding van Friesland heb ik mijn commandant gemeld dat ik ermee ophield. Ik was van plan op de fiets te stappen en me in te schrijven bij de eerste de beste universiteit die ik tegenkwam.” Het duurde wat langer dan gepland, Eizenga werkte eerst nog als journalist, maar uiteindelijk zou hij afstuderen als econoom en carrière maken in de wetenschap. Hij is hoogleraar geweest op een aantal Nederlandse en Amerikaanse universiteiten.

Het einde van de Vereniging Friesland 1940-1945, ondergaat hij nuchter. „Het was een mooie afscheidsbijeenkomst. De oorlogsjaren waren heel bijzonder, maar die periode is nu afgesloten.”

Normaal staat Eizenga op 4 mei op de Dam, maar vanmiddag landt hij op Kreta, voor een bridgevakantie. „Om acht uur zoek ik een plek om twee minuten stil te zijn om aan de gevallenen te denken. Ook zonder de vereniging zal ik dat blijven doen.”

Commentaar: pagina 7