Goedgemutst Indië behouden voor 't vaderland

Soldaten die naar Indië werden verscheept kregen een instructieboekje mee. Met een taalles .

Op Koninginnedag kocht ik een boekje dat me nogal trof. Het heet Scheepspraet en is in 1947 uitgegeven door de legervoorlichtingsdienst in Den Haag. Het telt slechts 64 pagina’s en heeft als ondertitel: „Zijnde een reisbeschrijving met tal van wetenswaardigheden en nuttige wenken ten profijte van de Nederlandsche militairen die naar Indië scheep gaan”.

Zoals bekend was in augustus 1945, kort na de Japanse capitulatie, de Republiek Indonesië uitgeroepen. Nederland accepteerde dit niet en stuurde troepen. In totaal zouden er tussen 1946 en 1949 zo’n 95.000 dienstplichtigen naar Indonesië worden gestuurd, velen zeer tegen hun zin. „Een luxe-reis zal uw overtocht niet zijn”, schrijft een majoor-generaal in het voorwoord, „een kwelling evenmin. Wanneer de troepen een ‘team’ vormen, zal de reis aangenaam verloopen. Moge Scheepspraet dezen echt Hollandschen teamgeest bevorderen’’.

Het boekje is geschreven door Piet Bakker, indertijd een bekend journalist en schrijver. Wat moest de ingescheepte soldaat volgens Bakker als eerste weten? „Dat er op zee een ander taaltje gesproken wordt dan te land.’’ Om de soldaten „geen al te landrottig figuur’’ te laten slaan, begint hij met een introductie in de zeemanstaal. Bakker weidt uit over stuurboord en bakboord en gaat zelfs in op de geschiedenis van deze woorden. Hij legt uit wat loef- en lijzijde is, midscheeps, kielvlak, sloepenrol, enzovoorts.

Het boekje is opvallend licht van toon. De regering had besloten dat de orde in Nederlands-Indië moest worden hersteld. Vandaar dat men – eufemistisch – sprak van politionele acties of politiële acties. Er werden echter geen politieagenten gestuurd, maar soldaten, die uiteindelijk een oorlog voerden waarbij aan Nederlandse zijde zo’n 5.000 en aan Indonesische zijde zo’n 150.000 mensen het leven lieten.

Het boekje ademt ondertussen de sfeer alsof de soldaten op een tropisch schoolreisje worden gestuurd. „Menige Montessori-school mocht willen dat de kindertjes zoo braaf en ordelijk binnenkwamen als de soldaten dat doen in een troepenschip’’, schrijft Bakker over de inscheping. Over brandgevaar aan boord schrijft hij: „Ontstaat er brand dan is het niet verstandig om daar eerst met een kameraad gezellig over te gaan keuvelen, doch het verdient eenige aanbeveling om onmiddellijk den brandmelder in werking te stellen.” Over de dagindeling: „Het is niet de gewoonte op een troepenschip om met een kopje thee op bed te worden gewekt. Hoe dit wel gebeurt merkt ge vanzelf.” De soldaten mochten voor sport en ontspanning van alles meenemen, „mits dit niet in excessen vervalt zooals ijshockeybanen en bioscooporgels’’. Er worden dichtregels aangehaald, het boekje is verlucht met leuke tekeningen van E. Doeve en Bakker vermeldt historische en toeristische informatie voor onderweg – kennelijk was het de bedoeling dat Jan Soldaat goedgemutst zou beginnen aan zijn taak: Indië te behouden voor het vaderland.

Of alle soldaten dit boekje uitgereikt hebben gekregen, weet ik niet; ik vermoed van wel. Er zijn minstens drie drukken verschenen. Toch is van de eerste druk, waaruit ik hier citeer, slechts één exemplaar in een openbare collectie terechtgekomen.

Voor een uitgetikte versie op internet: http://tinyurl.com/scheepspraet