Eindstation Zoeterwoude. Willen alle gedeputeerden uitstappen?

Sinds 28 april heeft Leiden een nieuw gemeentebestuur. En dit college is, onder aanvoering van D66, fel tegen de aanleg van de Rijn-Gouwelijn, een lightrailverbinding tussen Gouda, Alphen aan den Rijn, Leiden en de kust bij Noordwijk en Katwijk.  Problematisch is dat het provinciebestuur hartgrondig vóór de aanleg is. En dat het vorige Leidse college de lijn al wel had geaccepteerd. Welk besluit is nu doorslaggevend?
De kwestie speelt al jaren. In 2006 stemde de inwoners van Leiden in een referendum tegen de aanleg van de tram. Daarop besloot de gemeente de lijn niet meer dóór het centrum te leggen, maar er net langs.
Provinciale Staten oefent nu grote druk uit op het Leidse college om alsnog akkoord te gaan met de aanleg van de lijn. Maar de coalitiepartijen houden zich vooralsnog aan het nog verse coalitieakkoord.

Wie staat er het meest in zijn recht? Lezer J.H. Waszink betoogt in een brief aan gedeputeerden waarom de provincie het besluit van het nieuwe Leidse college dient te respecteren:

“Een gemeenteraad vertegenwoordigt burgers en heeft een eigen bevoegdheid om besluiten te nemen. Andere bestuursorganen dienen de besluiten van zo’n college te respecteren en bij conflicten in overleg naar een oplossing te zoeken. Druk van buiten, zeker als deze gepaard met bedreiging met bestuurlijke en/of financiele consequenties, is zowel moreel als staatsrechtelijk verwerpelijk. Zulke druk beoogt immers de door de gemeenteraad vertegenwoordigde burgers te beperken in hun rechten om bepaalde besluiten te (doen) nemen. Dit is in strijd met de principes waarop ons bestuurlijk stelsel is gebouwd, en ondermijnt het weefsel van de democratie. Om deze reden is zulk optreden, zeker van de kant van een overheid, als onbehoorlijk en onacceptabel te kwalificeren.”

In het Nederlandse staatrechtelijk bestel bezit de provincie echter op enkele terreinen meer macht dan de gemeenteraad en zij is bevoegd te beslissen over projecten met regionale belangen. Volgens juristen heeft de provincie dan ook sterke papieren. Maar de vraag is of de provincie deze kaart wel moet spelen. Het gemeentelijke college staat immers dicht bij de Leidse burgers, die na het referendum in 2006 ook nu weer - door D66 de grootste partij te maken - tegen de tramlijn hebben gekozen. Maar los van dit democratische principe, is er een andere reden waarom de provincie voorzichtigheid zal moeten betrachten. Bij de roep om bestuurlijke vernieuwing wordt vaak - zie ook de verkiezingsprogramma’s voor de komende Tweede Kamerverkiezingen - gewezen op de onnodige tussenlaag tussen lokaal bestuur en nationale overheid. Juist D66, de partij die nu het grootst is in Leiden, wil de provincies het liefst zo snel mogelijk afschaffen. Niet voor niets zei fractievoorzitter Van Meenen onlangs in NRC Handelsblad dat de discussie over het “trammetje” eigenlijk over het “bestaansrecht van de provincie gaat”. En zo kan de Rijn-Gouwelijn weleens het eindstation voor al te doortastende gedeputeerden worden.