Een Duitser op de Dam? Nee, want de pijn blijft

Vanavond is er geen Duitse vertegenwoordiger op de Dam bij de herdenking van WO II.

Historicus H. Von der Dunk vindt dat bespottelijk, rabbijn Evers acht het juist terecht.

Hoewel de Duitse ambassadeur in Nederland, Thomas M. Läufer, vorig jaar zei er graag bij te willen zijn, ontbreekt vanavond weer een vertegenwoordiger van de Bondsrepubliek bij de nationale herdenking van de Tweede Wereldoorlog op de Dam in Amsterdam. Toch vindt een groeiend aantal Nederlanders de tijd rijp om met de toenmalige bezetter stil te staan bij het oorlogsverleden.

Hermann Von der Dunk (Bonn, 1928), emeritus hoogleraar geschiedenis, is een uitgesproken voorstander van het gezamenlijk herdenken. „Ik vind dat hele gedoe over het weigeren van de Duitse ambassadeur bespottelijk”, zegt hij. „Als je een beetje weet wat er in Duitsland is gebeurd na de oorlog, reageer je niet zo weigerachtig op zo’n verzoek. Er is geen land dat zo met open ogen zijn eigen verleden heeft bekeken. En als er dan een Duitse ambassadeur aangeeft interesse te hebben in een herdenking, dan is het een teken van geborneerdheid om te zeggen dat dat te gevoelig ligt. Men is kennelijk vergeten dat onze prins Claus lid was van de Hitlerjugend, al was het gedwongen. Hoeveel jaar heeft die wel niet vooraan gestaan tijdens de Dodenherdenking? Dan zal ik het nog maar niet over Prins Bernhard hebben...”

Rabbijn Raphael Evers (Amsterdam, 1954): „Ik ben het helemaal eens met de mensen die zeggen dat de Duitsers goed omgaan met hun oorlogsverleden. Heel lovenswaardig hoe ze zich hebben hervonden. Maar in de jaren zestig, zeventig en ook deels nog in de jaren tachtig is de oorlog in dit land doodgezwegen. Dat heeft betekend dat er weinig aandacht was voor het leed dat de joden is aangedaan. Er was nauwelijks slachtofferhulp, de meeste mensen hebben het verdriet zelf moeten zien te verwerken. Zoiets is haast onmogelijk. Voor veel joden is de Tweede Wereldoorlog daardoor nog iedere dag realiteit.”

Daarnaast leeft het antisemitisme weer op, zegt Evers. „Ik kan je verzekeren dat ik iedere dag dat op straat word uitgescholden. De meeste mensen hebben geen idee hoe het antisemitisme leeft, of willen het niet weten. Iedere antisemitische oprisping werpt joodse oorlogsslachtoffers weer terug. Het draagt ertoe bij dat ze de oorlog niet achter zich kunnen laten en dat sommigen nog moeite hebben met een Duitse vertegenwoordiger tijdens de herdenking.”

Moeten we niet gewoon respect hebben voor de gevoelens van joodse en andere oorlogsslachtoffers en hun nabestaanden?

Von der Dunk: „Het gaat hier niet om een exclusief joodse herdenking. Het is een nationale herdenking, waarbij we alle slachtoffers herdenken. En kijk nu eens wie daar allemaal aanwezig zijn, dat zijn vrijwel allemaal naoorlogse mensen. Dat intieme karakter is er sowieso al vanaf. Bij een nationale herdenking moet je niet uitsluitend varen op het kompas van de slachtoffers.

„Net als het tumult rond de vrijlating van de Drie van Breda in 1972, denk ik dat veel mensen zich ook nu weer van alles wijsmaken rond problemen en complexen die ze zouden krijgen als er een Duitser bij de herdenking was. Ik wil de overwegingen van de slachtoffers best begrijpen, maar dan nog, als een Duitser een gebaar van verzoening maakt, dan wijs je zijn uitgestoken hand toch niet af?”

Evers: „Vergeven, dus ‘zand erover’, is een tergend langzaam proces. Ieder slachtoffer verwerkt de oorlog op zijn eigen manier, in zijn eigen tempo. Wie zegt: ‘Het is nu wel genoeg geweest, de Duitsers kunnen bij het herdenken worden betrokken’, gaat voorbij aan het individu. Er is geen jood die niet iets van het gruwelijke verleden met zich meedraagt. Aan veel mensen zie je niets, ze kunnen gewoon functioneren, maar voor sommigen bepaalt het trauma ook vandaag nog hun hele identiteit.”

Von der Dunk: „Weet u, als je na 65 jaar niet aan verzoening toe bent, dan ben je er na tweehonderd jaar ook nog niet aan toe.”

Steeds meer mensen vinden dat het afgelopen moet zijn met die hardnekkigheid jegens de Duitsers. We zijn goede buren die samen grote economische belangen delen.

Evers: „De mensen die boos reageren, begrijp ik wel. Ik denk dat ze met een schuld worden geconfronteerd waarmee ze niet willen worden opgezadeld. De mensen die klagen hebben overigens geen idee dat hun reactie in de trant van ‘hou nu toch eens op met dat gezeur over de oorlog’ honderd keer kwetsender is dan de aanwezigheid van een Duitse ambassadeur. Het is een gebrek aan inlevingsvermogen, maar dat is niets nieuws in dit land.

„Zelfs Koningin Wilhelmina had tijdens de oorlog vanuit Engeland nauwelijks oog voor het lot van de joden. Een paar keer heeft ze er op de radio iets over gezegd en dat was het. Maar na de oorlog waren we wel weer meteen gelijk aan de andere Nederlanders, terwijl de joden werkelijk alles kwijt waren; familie, bezittingen. In sommige gevallen moesten ze smeken of ze misschien hun huis en hun huisraad konden terugkrijgen van de mensen die in hun huizen zijn gaan wonen nadat zij waren opgepakt. Medemenselijkheid was toen ver te zoeken. En nu nog.”

Vindt u dat u een oordeel mag hebben over getraumatiseerde oorlogsslachtoffers?

Von der Dunk: „Ons gezin is voor de oorlog uit Duitsland gevlucht naar Nederland en we hebben het gelukkig gered. Twee zusters van mijn joodse moeder zijn gedeporteerd en omgekomen, dus geheel onbetrokken ben ik niet. Na de oorlog heb ik desondanks nooit moeite gehad om naar Duitsland te gaan en Duitsers te ontmoeten. Daar waren ook enkele kennissen van mijn ouders bij, die lid waren geweest van de nazipartij. Zij zaten met een geweldig schuldgevoel.

„Een van deze mensen was een vriendin van mijn moeder, zij heeft jarenlang ieder direct contact met haar vermeden. Uit schaamte. Via via kreeg mijn moeder te horen dat deze vrouw zo graag weer contact zou hebben. Zij vond dat niet bezwaarlijk. Ik zou het in zo’n geval zelf ook geen probleem vinden om weer contact te hebben. Het hangt er uiteraard wel vanaf wat zo iemand op zijn kerfstok heeft. Heeft hij iemand vermoord? Mensen uit mijn familie? Zo ja, dan is het een ander verhaal.”

De joodse wet zegt ook een en ander over vergeving. Zo heeft iedere jood de plicht om hij die verkeerd heeft gedaan toe te staan schuld en schaamte te tonen en om vergeving te vragen.

Evers: „Ik kan u verzekeren dat er bij ons thuis na de oorlog nooit één slecht woord is gevallen over de Duitsers. Nooit. Het gaat niet alleen om vergeven, het gaat om kunnen vergeten. De pijn van slachtoffers blijft. Daar gaat het om. Door nu te hameren op het moeten vergeven, worden de herinneringen van mensen die nog worstelen met de oorlog alleen maar pijnlijker. Ik vind dat wreed. Het lijkt of mensen meer gevoel hebben voor de dieren dan voor de oorlogsslachtoffers. Je kúnt niet zeggen: ‘Zo, en nu zand erover.’ Dat is een pure ontkenning van wat er is gebeurd en wat daarvan nog in een aantal mensen zit. Ik pas ervoor om daarin mee te gaan, alleen omdat sommige mensen geen last meer willen hebben van hun geweten.”

Von der Dunk: „Een voorwaarde om te kunnen vergeven is iemand als medemens te beschouwen. Willen begrijpen hoe iemand tot zijn daden is gekomen. Een belangrijk motief bij vergeving is de vraag: ‘Kan ik me voorstellen wat de ander beweegt?’ Je verbreedt je horizon door je te verdiepen in de ander.”

Wanneer staat er op 4 mei om acht uur wel een Duitse vertegenwoordiger op De Dam?

Von der Dunk: „Als ik het heb over de nakomelingen van de slachtoffers, dan zie ik niet in waarom er nog een scheiding zou moeten zijn. Ik vind dat de joden het zichzelf niet zo moeilijk moeten maken. Wat betreft het vergeven: er valt de huidige generatie Duitsers niets te vergeven, want ze hebben niemand iets aangedaan.”

Evers: „Wanneer er niemand meer kapot van is als de voormalige agressor hier de dood van tallozen komt herdenken. En dat kan nog wel even duren. Is dat nu zo erg? Ik zie niet welk nationaal belang er wordt geschaad als een officiële Duitse gedelegeerde niet op een 4 mei-herdenking aanwezig is.”