De zin van 4 en 5 mei

Dat de geschiedenis niet ophoudt, werd vorige maand weer schrijnend duidelijk: in het levensverhaal van Selma Engel-Wijnberg, een van de weinige Joden die het vernietigingskamp Sobibor overleefden. Toen zij in 1945 naar Nederland terugkeerde werd zij, omdat ze getrouwd was met de Pool Chaim Engel, door de vreemdelingenpolitie tot ongewenst vreemdeling bestempeld. Het echtpaar emigreerde naar Amerika. Pas 65 jaar later maakte de regering excuses.

Het was al langer bekend dat Joodse Nederlandsers die de Shoah hadden overleefd, vaak tegen een muur van antisemitisme opliepen. Maar door het relaas van Engel-Wijnberg kreeg deze achterkant van de Bevrijding van 5 mei 1945 een gezicht. Het hield het huidige Nederland een spiegel voor, waarin een natie weerkaatste die zich tijdens en na de bezetting niet louter heroïsch had gedragen.

De voorgaande bewering is betrekkelijk eenvoudig op te schrijven voor wie de bezetting niet aan den lijve heeft ondervonden. Maar erover nadenken en doordenken, is ingewikkelder. Wie zich de oorlog en de Shoah probeert voor te stellen, wordt geconfronteerd met goed en kwaad, maar ook met die even onvermijdelijke als onbeantwoordbare vraag: hoe zou ik me hebben gedragen in de oorlog? De vele studies over de grijstinten tussen het zwart en wit – het schema dat lang de historiografie van Nederland heeft bepaald – voeden die ongemakkelijke vraag.

Een van de functies van de jaarlijkse herdenking en viering van de Bevrijding is om hierbij stil te staan. Tijdens de twee minuten stilte van 4 mei en de festivals op 5 mei kan eenieder over het zijne denken: de slachtoffers van oorlogsgeweld en vreemdelingenhaat, de vreugde van bevrijding of de actualiteit van het begrip vrijheid.

Maar deze twee momenten staan nooit los van de Tweede Wereldoorlog, de ingrijpendste periode in het verleden van het moderne Nederland, dat zo vaak tussen de klippen van de geschiedenis door had gevaren. Het voortdurende en almaar diepgaander onderzoek naar ’40-’45 bewijst dat die periode ook 65 jaar na dato niet afgesloten is. En terecht.

Ongetwijfeld zullen er vandaag en morgen in toespraken historische analogieën tussen toen en nu worden gelegd. Dat is hachelijk, omdat de geschiedenis geen cyclus is en elk kwaad zijn eigen bijzonderheden heeft.

Maar dat wil niet zeggen dat de Tweede Wereldoorlog zo uitzonderlijk is dat enigermate van herhaling is uitgesloten. De kernwaarden die toen in het geding waren, moeten nog steeds worden beschermd en soms bevochten. Representatieve democratie, rechtsstaat en internationale samenwerking zijn verworvenheden, geen vanzelfsprekendheden. Het Duitse woord voor gedenkteken, Mahnmal, is treffend. Deze dagen manen tot historisch en democratisch bewustzijn.

Dat besef leeft volop. De ongebroken belangstelling voor de herdenkingen van vanavond en de festivals van morgen bewijst dat. De vierde en vijfde mei zijn nog altijd geen afgesloten geschiedenis, maar uitingen van het heden.