De namen der gevallenen

Een van mijn eerste toneelervaringen, ik zat nog op school, was een opvoering van Aeschylus’ tragedie Perzen onder regie van Erik Vos. Het mooiste, herinner ik me, was de weeklacht van het koor dat de Perzische koning Xerxes de namen toeriep van hen die niet uit de oorlog waren teruggekeerd. „Ik vraag naar Sousas, Pelagoon … Waar bleven Pharnouchos, Ariormardos … Waar zijn Lilaios, Memphis… ?” De ritmische dreun van de eindeloos lijkende opsomming van namen, was een klaagzang en een aanklacht tegelijk. Onvergetelijk.

Het noemen van de namen van de doden voldoet blijkbaar aan een van oudsher gevoelde menselijke behoefte. Volgens de historicus Jan Romein heeft iedere vorm van gedenken in oorsprong een diepe zin, die wij magisch noemen. „Hetgeen echter in wezen niet anders zeggen wil, dan dat zij een poging is van de mens om zijn omgeving in ruimste zin te beheersen. Weinig dingen zijn welbeschouwd zo ‘rationeel’ als de magie.” Romein schreef dit in 1954 toen de regering de vijfde mei als nationale feestdag wilde afschaffen.

Met namen noemen bezweren wij verlies, angst en woede, maar het is ook een vorm van bevestiging van de menselijke waardigheid, van het mens-zijn, zoals behalve uit Aeschylus uit minstens zo oude godsdienstige teksten als Jesajah blijkt („Ik heb U bij Uw naam geroepen”).

Het herdenken van de doden door hun namen in herinnering te houden, is behalve eerbetoon een vermaan aan de levenden. Wie is tijdens een vakantie in Frankrijk niet eens bekropen door een gevoel van huivering bij het lezen van de namen op de oorlogsmonumenten die tot in de kleinste dorpjes na de Eerste Wereldoorlog zijn opgericht? Zo lang geleden, maar nog altijd zo aangrijpend.

In Washington staat sinds de jaren tachtig de Vietnam Veterans Memorial Wall, waar de namen van ruim 58.000 Amerikaanse gesneuvelden in de Vietnamoorlog op zijn aangebracht. Stel je voor, dat de Amerikanen een vrouwenfiguur als symbool voor de vrede of een krijgshaftige soldaat als allegorie voor de moed hadden neergezet! Men moet aan zulke pseudomonumentaliteit niet denken. Die zou alleen een morele leegte bevestigen. De namenreeks vervluchtigt niet tot een abstract getal: jaarlijks bezoeken drie miljoen mensen de Vietnammuur. Een abstract getal, dat vormen de veel grotere aantallen Vietnamese doden uit die oorlog.

Namen noemen is de sterkste, meest intense, meest persoonlijke vorm van herdenken. Het alternatief is: vergeten, zoals spreekt uit het beroemde gedicht Dodenherdenking van Ida Gerhardt:

De namen der gevallenen/ die wij zo snel vergaten/ worden soms nog gezongen/ bij monde van de stormwind.// Dan: luister aan de palen.// Ik hoorde het eens vervaarlijk/ onder Zalk en Veecaten – / te zwaar haast voor de masten/ en de metalen draden.

Des te belangrijker dat wij beschikken over de namen van hen die niet mogen worden vergeten en die steeds meer beschikbaar komen. Vanmorgen is in Den Haag de digitale versie gepresenteerd van de Erelijst van Gevallenen, een boek dat 50 jaar geleden, op 4 mei 1960, door koningin Juliana werd aangeboden aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer. Er staan 18.000 namen in van in de Tweede Wereldoorlog omgekomen Nederlandse militairen en deelnemers aan het verzet. Bij de presentatie van de digitale versie legde Marjan Schwegman, directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, er de nadruk op dat de Erelijst een selectie is: de uitdrukking van de actieve wil van individuele overlevenden om zich de doden te herinneren. De vervolgingsslachtoffers, Joden, Sinti, Roma, in Duitsland omgekomen dwangarbeiders ontbreken en de burgerslachtoffers van militair geweld staan ook niet op deze erelijst.

Volgens een recente publicatie van historica Maud van de Reijt (Zestig jaar herrie om twee minuten stilte) was deze beperking indertijd een bewuste poging van de regering om de mythe te creëren dat de Nederlanders massaal verzet hadden gepleegd tegen de Duitsers. „Het werkelijke verzet van een klein groepje mensen werd tot verzet van de complete natie verheven.” Door consequent van de ‘verzetsmythe’ te spreken, slaat zij door naar het andere uiterste. Het verzet was geen mythe, het heeft echt bestaan. Alleen al voor de illegale pers hebben dertigduizend mannen en vrouwen hun leven gewaagd. Een aantal van deze anonieme helden is zaterdag in Trouw geëerd met een indrukwekkende speciale bijlage (‘de laatsten van Trouw’). Ontroerend was dat het dagblad op de voorpagina begon met het simpelweg noemen van hun namen. Pershistoricus Huub Wijfjes publiceerde in 1990 een erelijst van 770 mensen die wegens hun werk voor de verzetspers zijn vermoord. Het gaat me wat ver dit onder de noemer ‘verzetsmythe’ weg te relativeren.

Terecht verbaast Van de Reijt zich over het schandelijke feit dat de Jodenvervolging aanvankelijk een zeer ondergeschikte rol speelde bij de officiële herdenkingen. Maar waren zij vergeten doden? Misschien door de overheid. Anderen zijn nooit opgehouden namen te verzamelen en te noemen. In Jeruzalem heeft het Holocaustmuseum Yad Vashem een ‘Hal van de Namen’ die bedoeld is om de door de nazi’s vernietigde mensen een, zoals in Jesajah staat, „aandenken en een eeuwigdurende naam” te geven, een „yad vashem”.

Vanochtend verwees de voorzitter van de Tweede Kamer, Gerdi Verbeet, daarnaar tijdens de presentatie van de gedigitaliseerde erelijst. Zij riep op steeds opnieuw de namen van de slachtoffers hardop voor te lezen, zoals dat in Kamp Westerbork in januari is gedaan. „Zo maken we zichtbaar hoe veel het er waren. Zo maken we zichtbaar dat het niet om 102.000 mensen gaat, maar om 102.000 keer één mens, met een eigen naam.” En zo is het.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/etty. Vermeld altijd uw volledige naam.