De gave om te vergeten

Veel Joden die de Holocaust overleefden, voelen zich nog altijd niet bevrijd. Rabbijn Izak Vorst begrijpt als geen ander de gevoeligheden op 4 mei.

Izak Vorst heeft na de oorlog nooit meer een voet op Duitse bodem gezet. Bergen-Belsen? De Amsterdamse rabbijn (72) wil het voormalige concentratiekamp nooit meer zien. Zelfs een bezoek aan Tröbitz – waar zijn moeder overleed nadat zij in april 1945 tijdens een zwerftocht vanuit Bergen-Belsen was bezweken – kan Vorst niet opbrengen. „Duitsland vormt een onmogelijkheid”, zegt hij.

Vorst is vijf jaar als hij in april 1943 wordt afgevoerd naar Westerbork met zijn hoogzwangere moeder, vader, zusje en twee broertjes. „Mijn vader wilde niet onderduiken”, legt hij uit. „Naar het waarom heb ik hem nooit gevraagd.”

Van zijn acht maanden lange verblijf in het doorgangskamp kan Vorst zich weinig herinneren. Maar onbewust moet het veel indruk op hem hebben gemaakt. „Dat merkte ik toen ik een halve eeuw later het kampterrein op reed voor een herdenkingsbijeenkomst. Ik zat op de achterbank bij een collega toen ik mezelf plotseling hoorde schreeuwen: ‘O nee, dat niet!’ Pas later besefte ik dat ik een verkeersregelaar voor de marechaussee uit mijn kindertijd had aangezien.”

De rabbijn is blij dat God hem de gave gaf om te vergeten. Hij leest bewust geen boeken over de oorlog, kijkt niet naar oorlogsfilms. Maar op 4 mei luistert hij trouw naar de radio voor een verslag van de Dodenherdenking. „Vooral het Wilhelmus raakt mij diep. Dan denk ik terug aan het moment dat wij na de bevrijding in een Amerikaanse legertrein de Nederlandse grens overstaken. Vanuit het niets hieven de inzittenden het volkslied aan.”

Dat hij de oorlog overleefde, heeft Vorst naar eigen zeggen ‘te danken’ aan zijn broertje Baruch. Het gezin stond op de transportlijst voor een van de vernietigingskampen, maar werd daar door diens geboorte in Westerbork weer afgehaald. „Slechts drie weken heeft hij geleefd. Maar Baruch heeft er wel voor gezorgd dat wij in een kamp zonder gaskamer terechtkwamen. In Bergen-Belsen, waar wij zestien maanden verbleven, stierven de mensen ook – van de honger en aan besmettelijke ziekten – maar je overlevingskansen waren vele malen groter.”

Er zijn joden die hun geloof in God verloren door de oorlog. Maar er zijn ook mensen, zoals Vorst, die de band met Hem versterkten. De rabbijn meent dat Gods daden altijd een betekenis hebben. Zoals de dood van zijn broertje, maar óók het overlijden van zijn eigen – naar Baruch vernoemde – zoon.

„Op die bewuste dag, 34 jaar geleden, stond ik tijdens het ochtendgebed stil bij de zin dat God „hulp laat ontspruiten”. Wat voor bedoeling had hij met het overlijden van mijn broertje, vroeg ik mij af. Voor het eerst hield het mij bezig. Enkele uren later werd mijn driejarige zoon voor ons huis door een auto geschept. Die samenloop van omstandigheden heeft mij later geholpen bij de verwerking.”

Hoe groot het belang van verwerken is weet Vorst van zijn bezoeken aan het joodse bejaardentehuis Beth Shalom in Amsterdam, waar hij vanmiddag de herdenkingsplechtigheid zou bijwonen. „Veel ouderen hebben de Bevrijding meegemaakt, maar zijn nog altijd niet bevrijd. Zoals de vrouw die na Auschwitz trouwde, maar door de medische experimenten in het vernietigingskamp geen kinderen kon krijgen. Naar de fotolijstjes op de schoorsteenmantel zal ik tijdens zo’n bezoek niet informeren.”