De euro van Croesus

Het had een steunoperatie moeten worden die alle twijfels zou wegnemen. De 110 miljard euro die de overige eurolanden samen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) hebben uitgetrokken voor Griekenland, is een immens bedrag: 10.000 euro per Griek. Het is hoogst twijfelachtig of de europartners deze leningen in hun geheel en tegen de nu overeengekomen rente zullen terugzien.

De Europese Centrale Bank compromitteert zichzelf intussen door Griekse staatsobligaties, die sinds vorige week de status van ‘junk’ hebben, als onderpand te accepteren. Alles wordt uit de kast gehaald om te voorkomen dat Griekenland niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen. Een Grieks debacle kan Europa zich niet permitteren. De kredietcrisis en de recessie hebben al genoeg schade toegebracht aan de financiële sector, de economie en de overheidsfinanciën.

De reddingsactie doet denken aan 1992, toen het Europees Monetair Stelsel (EMS) aan het wankelen werd gebracht. Het systeem, waarbij de munten van de EU-landen aan elkaar waren gekoppeld, bezweek onder een speculatiegolf op de valutamarkt. Steeds grotere steunbedragen aan valuta’s die in de problemen waren, bleken niet te helpen. De Italiaanse lire en het Britse pond moesten het EMS verlaten, de Spaanse en Portugese munten devalueerden daarna. In de zomer van 1993 werden de voorwaarden voor het systeem zodanig opgerekt dat het zijn betekenis grotendeels verloor.

Wat destijds volgde, was een vlucht naar voren in de euro. Niet een onderlinge koppeling moest rust brengen tussen de verschillende valuta’s, maar het opgaan in één gezamenlijke munt. Ook toen in 1999 de euro werd ingevoerd, waren er bezwaren: Europa was geen ‘optimaal valutagebied’ waar arbeid kon vloeien naar de plaatsen waar dat het meest nodig was en er was geen gemeenschappelijk begrotingsmechanisme dat verschillen in conjunctuur binnen de zone kon mitigeren. En kon dat eigenlijk wel, een monetaire unie zonder politieke unie? De bezwaren werden als academisch opzijgeschoven.

Deze vragen lijken ook op dit moment theorie. Voordat de muntunie kan genezen, moet eerst het bloeden worden gestelpt. De reactie van de financiële markten op het Griekse reddingsplan is tegengevallen. De rust is er geenszins teruggekeerd en er circuleert nu een Croesusbedrag van minstens 500 miljard euro dat, als de crisis overslaat, nodig zou zijn om Portugal, Spanje en eventueel ook Italië bij te staan.

Het wordt de vraag, net als in 1992 en 1993, of steeds grotere reddingsoperaties het antwoord zijn. Een andere architectuur voor de muntunie mag een academische kwestie lijken, in de jaren na de Europese valutacrisis van destijds zorgde het voorland van de gemeenschappelijke munt er wel degelijk voor dat de rust terugkeerde. Welk nieuw vergezicht er ditmaal moet lonken, is een andere kwestie. Maar het wordt wel tijd voor een meer visionaire behandeling van Europa’s monetaire toekomst. De tijd van het plakken van – peperdure – pleisters gaat voorbij.