Britse verkiezing lost niets op

De drie grote Britse partijen mikken allemaal op het politieke midden. Daarmee worden radicale ingrepen uit de weg gegaan, betoogt Harold James.

De Britse politiek is altijd een soort experimenteel laboratorium voor de geïndustrialiseerde wereld geweest. In de jaren zeventig was Groot-Brittannië de plaats waar het belangrijkste naoorlogse beheersmodel van de economie stukliep. Dit model berustte politiek op de vorming van consensus en economisch op de Keynesiaanse vraagsturing. Nu is het equivalent van die mislukking het dereguleringsregime, waarin een partij die zich als ‘New Labour’ afficheerde, instemde met een krachtige rol voor de markten – vooral gedereguleerde financiële markten.

In de jaren zestig wekten Keynesiaanse maatregelen de illusie dat iedereen erop vooruitging, met hoge werkgelegenheid en stijging van lonen. Geen plek op aarde was zo cool als Groot-Brittannië, dat kon bogen op de Beatles en de Rolling Stones en de pastelmode van Carnaby Street.

Maar het Keynesianisme bracht een aanhoudende stijging van de overheidsbegroting met zich mee, zonder dat daar een beperking van de geldvoorraad tegenover stond. In de jaren zeventig leidde dit in Groot-Brittannië tot onhoudbare tekorten op de rekening en een hoge inflatie, gevolgd door een politieke patstelling over de juiste aanpak. Welke groep zou als eerste een offer moeten brengen?

Begin 1974 botste de conservatieve regering van Edward Heath met de mijnwerkersvakbond over de vraag ‘wie Groot-Brittannië regeerde’. In februari schreef hij verkiezingen uit, die geen duidelijke winnaar opleverden. Heath was bijzonder impopulair. Maar oppositiepartij Labour overtuigde ook niet en bood nauwelijks een intellectueel alternatief. Het enige doel was daar om de confrontatie met de vakbonden uit de weg te gaan.

De verkiezingen leidden tot een politieke patstelling. De Liberal Democrats in het midden leken beslissend voor het machtsevenwicht en het verhaal ging dat Heath bereid was een hervorming van het kiesstelsel toe te staan. Hij schermde met de belofte van evenredige vertegenwoordiging, die de liberalen bij toekomstige verkiezingen meer parlementszetels zou waarborgen, in ruil voor de steun van de partij aan een nieuwe conservatieve regering.

De kans lijkt levensgroot dat de impasse van 1974 zich bij de aanstaande verkiezing (6 mei) zal herhalen. De politieke manoeuvres zijn al begonnen, waarbij de impopulaire zittende premier Gordon Brown, het hedendaagse equivalent van Heath, de steun van de Liberal Democrats zoekt met de belofte van een grondwetshervorming die de partij grote voordelen zou bieden.

In 1974 kwam er van die opgehemelde coalitie van conservatieven en liberaal-democraten niets terecht, omdat de Liberal Democrats aarzelden om hun lot te verbinden aan een impopulaire en gewantrouwde politicus. Het gevolg was een minderheidsregering die moest vechten voor steun en legitimiteit en die uiteindelijk alleen maar beleid voerde dat geen echt antwoord op de onderliggende problemen van het land bood.

Groot-Brittannië lijkt nu veel meer op dat van 1974 dan op dat van 1979, toen het land met de Thatcherrevolutie een nieuwe weg insloeg. Er is ook nu een groot economisch probleem, het einde van een hausse op krediet en een bedreiging voor de banken (zij het dat alles nu veel groter lijkt, door de internationalisering van het financiële stelsel). De twee grote politieke partijen lijken vermoeid, terwijl ze elkaar tegelijkertijd om het hardst lijken te imiteren. De kiezers gruwen van deze keuze.

Er is ook een onheilspellende gelijkenis met Italië in 1992, toen de twee belangrijkste partijen van de voorgaande 40 jaar, de Christen-Democraten en de Communisten, eenvoudig verdampten in een mengeling van corruptie en intellectuele onmacht.

In de vette eerste jaren van deze eeuw leek het net als in de jaren zestig alsof iedereen op de pof kon leven. In de jaren zestig steunde de belofte van welvaart voor allen op anticyclisch begrotingsbeleid, in het begin van deze eeuw stapelde niet zozeer de schuld van de staat als wel die van individuen zich op. De magie van de markten maakte een individualisering van krediet en consumptie mogelijk.

Net als bij de ineenstorting van de jaren zeventig is het gemakkelijk te zien hoe iedereen van het jongste hoogtij profiteerde: huiseigenaren zagen hun huizen in prijs stijgen, de sociale uitkeringen namen toe en iedereen leek mee te varen op een nieuwe golf van een Cool Britannia à la de jaren zestig.

Maar net als toen is de toekomst van Groot-Brittannië somber en wordt ze overschaduwd door schuld. Er zijn grote aanpassingen nodig. Tegelijkertijd valt het de partijen moeilijk om de problemen te benoemen, omdat ze huiverig zijn om voor een verkiezing tot offers op te roepen.

En omdat de partijprogramma’s van de Labourregering en de conservatieve oppositie niet duidelijk van elkaar verschillen, valt het hun moeilijk zich van de Liberal Democrats te onderscheiden. De twee grote partijen trekken naar het politieke midden, maar ze zijn nooit zo overtuigend als een politieke partij die zich echt in het politieke midden bevindt en die onbelast is door de schandalen van machtsuitoefening in het verleden.

Het verloop van de verkiezingsstrijd wekt tot nu toe de indruk dat de Liberal Democrats het heel goed zullen doen. Hun leider steekt in televisiedebatten en op campagne boven zijn Tory- en Labourcollega’s uit. Bovendien zitten Labour en de Conservatieven in een politieke val. Zodra ze het oneens zijn met de Liberal Democrats, lijken ze extreem en verspelen ze sympathie bij de kiezer.

Maar deze eis tot politieke gematigdheid belemmert het zoeken naar de radicale en pijnlijke oplossingen die Groot-Brittannië nodig heeft. Het is dan ook geen wonder dat de valutamarkten de vermoedelijke uitkomst in Groot-Brittannië – een parlement zonder duidelijke meerderheid voor een van de partijen – behandelen als een herhaling van de situatie halverwege de jaren zeventig, toen er ook geen duidelijke oplossing in het verschiet lag voor de onderliggende economische problemen van het land.

Harold James is hoogleraar internationale betrekkingen aan Princeton University. © Project Syndicate