Wie wil grijs zijn als het erop aankomt?

De meerderheid van de Nederlanders in oorlogstijd was niet goed en niet fout, ze was ‘grijs’. Maar daarmee is herdenken niet afgedaan, menen Jos van der Lans en Herman Vuijsje.

Vandaag is het precies vijftig jaar geleden dat het Anne Frank Huis zijn deuren opende voor het publiek. In die vijftig jaar hebben bijna 25 miljoen bezoekers de steile trap naar de tweede verdieping beklommen om via de draaibare boekenkast de kleine, bedompte kamers van het achterhuis binnen te gaan. Elk jaar neemt het aantal bezoekers toe, het zijn er nu bijna een miljoen per jaar.

Voor de mensen die in het Anne Frank Huis werken, was dit aanvankelijk een bron van verbazing. Zij dachten tot ver in de jaren tachtig dat de toeloop wel een keer zou verminderen. Nee dus. Sterker: de fameuze rij voor het Anne Frank Huis bestaat voor een steeds groter deel uit jongeren. In 2004 was de helft van de bezoekers jonger dan dertig jaar, in 2008 was dat al bijna tweederde.

Hoe langer geleden, hoe groter de belangstelling voor de oorlog. De lawine aan oorlogspublicaties zwelt rond de meidagen van elk jaar verder aan. „Het lijkt wel alsof we op de tocht van die onderwereld vandaan nu pas durven omkijken naar dat onverdraaglijk verleden”, constateerde Abram de Swaan afgelopen woensdag in zijn rede bij de herdenking van vijftig jaar Anne Frank Huis.

Wat zien we eigenlijk als we omkijken? De geschiedenis van het Anne Frank Huis leert dat op die vraag geen eenduidig antwoord valt te geven. Voor de Anne Frank Stichting was de oorlogsherinnering lange tijd vooral een middel in de strijd tegen nieuwe vormen van onderdrukking: discriminatie, neofascisme, vooroordelen en vreemdelingenhaat. Annes betekenis lag vooral in het heden.

Maar bezoekers ondergaan hun bezoek aan het achterhuis heel anders. Voor hen hebben het kamertje waar Anne haar dagboek schreef, de beroemde kastanjeboom en de trap waarover de onderduikers na het verraad hun ondergang tegemoet gingen, de gevoelswaarde van relikwieën. Het zijn beelden die niet minder heftige gevoelens oproepen dan de staties uit Jezus’ lijdensweg.

Deze ophemeling van Anne tot bijna religieuze proporties heeft veel kritiek opgeroepen. Als Anne wordt ervaren als een soort heilige kwezel die onze zonden op haar schouders heeft genomen zonder ons iets te verwijten, wordt een bezoek aan het achterhuis gratuite. Wat hebben we aan een achterhuis waar je zelfvoldaan weer naar buiten komt omdat de kloof tussen ons, goede mensen, en de slechteriken weer eens is bevestigd?

Soortgelijke kritiek wordt ook geleverd op de oorlogsherdenking in het algemeen. Wat heb je eraan iets te herdenken van lang geleden, terwijl overal ter wereld gruweldaden gaande zijn zonder dat wij daar iets tegen ondernemen? Wordt het vroom belijden van die oorlogsherinnering dan niet een afleidingsmanoeuvre? Volgens Arnon Grunberg zijn herinneren en geïnstitutionaliseerd herdenken „op een sluwe manier vormen van vergeten geworden”.

Kritiek op de herdenking ging vaak hand in hand met kritiek op het beeld van het oorlogsverleden dat daarbij overheersend was. Historici als J.C.H. Blom en Chris van der Heijden tekenden bezwaar aan tegen het scherpe onderscheid tussen ‘goede’ en ‘foute’ Nederlanders dat sinds de bevrijding gangbaar was. Zo’n zwartwitschema was misschien bevredigend vanuit een naoorlogs moreel standpunt, maar deed geen recht aan de omstandigheden waaronder mensen destijds moesten zien door te modderen. De grote meerderheid van de Nederlanders was niet wit, niet zwart, maar ‘grijs’, stelde Chris van der Heijden in zijn boek Grijs verleden (2001). De posities die mensen innamen, werden niet bepaald door morele keuzen, maar door toeval, omstandigheden en klein opportunisme.

Bij het schrijven van Het Anne Frank Huis, een biografie werden wij vanzelfsprekend met deze kwesties geconfronteerd. De geschiedenis van acht joodse onderduikers, Annes dagboekverslag daarvan en de latere beeldvorming van die periode is exemplarisch geworden voor de Nederlandse oorlogservaring. Althans, voor het aspect dat daarin steeds centraler is komen te staan: de jodenvervolging.

Wat leert deze geschiedenis ons nu? Kunnen we maar beter ophouden met geforceerd herdenken? Is zij in overeenstemming met het beeld van ‘grijze’ Nederlanders wier handelwijze niet kan worden verklaard uit morele afwegingen?

Een van de mensen die wij voor ons boek interviewden, was Judith Belinfante, oud-directeur van het Joods Historisch Museum. Zij gaf haar mening over de ‘helpers’, de kantoorbedienden van het bedrijf van Otto Frank die de onderduik mogelijk maakten. Belinfante zei: „Evenmin als je van Anne een heilige moet maken, moet je de helpers buiten de menselijke maat plaatsen. Het soort dingen dat zij hebben gedaan, lukt je alleen als je met kleine dingen begint. Mensen die we nu helden noemen, begonnen met simpele dingen die binnen hun eigen omgeving pasten, vaak ook ten behoeve van mensen die ze goed kenden. Da’s niks geen heldendaad op zich, maar wel net één stapje verder dan de bystander. Als je die stappen te groot voorstelt, maak je het voor generaties die er niet bij waren, moeilijk om zich daartoe te verhouden en het zich eigen te maken. Omdat ze denken: daar hoor ik niet bij.”

Deze uitspraak trof ons omdat hier iemand aan het woord is die ook oog heeft voor grijstinten, maar daaraan niet de conclusie verbindt dat mensen hulpeloos zijn overgeleverd aan de omstandigheden. Volgens Belinfante kunnen mensen boven zichzelf uitstijgen door op beslissende momenten moreel juiste besluiten te nemen.

Dat er in de oorlog zulke mensen waren, was voor degenen die toen in gevaar waren een grote troost. Ed van Thijn is zijn onderduikouders niet alleen dankbaar dat ze zijn leven hebben gered, maar ook dat ze door hun handelen lieten zien dat het leven ondanks alles de moeite waard is. Ernst Hirsch Ballin, wiens joodse vader de oorlog eveneens als onderduiker overleefde, spreekt zelfs van een ‘vreugdevolle moraal’: „Namelijk dat het in het leven de persoonlijke beslissingen zijn die een mens aan de goede of de verkeerde kant brengen. Je hebt als mens de vrijheid om zelf te kiezen. Daar kun je hoop aan ontlenen.”

En Anne Frank? Voor haar gold precies hetzelfde. „Ondanks alles” hield zij haar mooie verwachtingen vast, in haar bekendste dagboekpassage, „omdat ik nog steeds aan de innerlijke goedheid van de mensen geloof”. Vaak is de vraag gesteld of Anne vlak voor haar dood in Bergen-Belsen die zin nog zou hebben onderschreven. Maar Anne geloofde nooit dat de mensen een gratis garantie voor goed gedrag uitgereikt hebben gekregen. Haar overtuiging was dat mensen de mogelijkheid hebben goede keuzen te maken. Ook godsdienst was voor haar in de eerste plaats „het hooghouden van eigen eer en geweten”.

Anne kon dat schrijven en geloven doordat ze zich in en rond het achterhuis omringd wist door een hele groep mensen die daar op een voorbeeldige manier in slaagden. Mensen die te midden van de grootste barbarij niet zwichtten voor de grijze verleiding: haar vader en haar medeonderduikers (die in hun beklemde onderkomen nog een achtste onderduiker opnamen), de helpers en hun familieleden, en de leveranciers die hen illegaal van voedsel voorzagen.

De pleidooien om de oorlogsherdenking af te schaffen vervullen ons, nadat we ons in de geschiedenis van het achterhuis hebben verdiept, met verbazing. De herinnering aan de oorlog, de Oorlog van Nederland, is het meest tastbare, meest nabije ‘grote verhaal’ dat wij elkaar nog kunnen vertellen.

De oorlogsherinnering confronteert ons met vragen van burgerschap, moed en verantwoordelijkheid die ook in onze dagen actueel zijn. Ook nu wordt burgermoed gevraagd. Bijvoorbeeld van journalisten, boekhandelaars, filmproducenten, museumdirecteuren en theaterexploitanten – de moed om niet te zwichten voor tiranniek terrorisme. Maar ook van voorbijgangers op straat, om niet passief te blijven bij zinloos geweld.

In het Anne Frank Huis werd de oorlogsherinnering lange tijd geassocieerd met grote, abstracte beginselen als ‘mensenrechten’, ‘onderdrukking’ en ‘vrijheid’. In de jaren zeventig ging het om dictatuur en etnische onderdrukking. In de jaren tachtig om ‘herlevend racisme en fascisme’ in eigen land. Tegenwoordig gaat het om minder hoogdravende associaties. De kracht van de oorlogsherinnering ligt ook nu nog in haar waarde als moreel ijkpunt, maar de ‘grote’ ideologische kwesties zijn verder weg komen te liggen.

De ongebroken vitaliteit van de herinnering onder jongeren houdt verband met persoonlijke, direct aansprekende vragen die zij zich stellen. Hoe konden mensen werkeloos toezien bij zulke verschrikkingen? Kan mij dat ook overkomen? Waar moet ik dan op letten? Vier mei wordt minder een kwestie van ‘gedenken’ of ‘herdenken’ en meer van bédenken: wat je zelf zou doen. Hoe je afglijden in grijze richting kunt voorkomen.

Het zou goed zijn de oorlogsherdenking en de ‘boodschap’ van een plek als het Anne Frank Huis daarop af te stemmen: de grijze verleiding begrijpen. Begrijpen om haar te kunnen weerstaan. Daar hoort ook bij dat je je bij zulke gelegenheden en op zulke plekken kunt spiegelen aan degenen die daar in slaagden. Grijs is een kleur voor analyse, voor begrip achteraf – desnoods niet alleen begrip ván maar ook begrip vóór degenen die voor de grijze verleiding bezweken. Maar het is niet de kleur die je zelf zou willen aannemen als het erop aankomt. Een ‘grijze’ opstelling is niet onvermijdelijk en niet moreel neutraal.

Dat Nederland in de oorlog een ‘grijze’ meerderheid kende, is een feit. Het vormt een aansporing tot onderzoek, maar niet een reden om te stoppen met bewonderen en verafschuwen.

Jos van der Lans en Herman Vuijsje zijn de auteurs van Het Anne Frank Huis, een biografie dat verscheen ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Anne Frank Huis.