Volgend kabinet moet 10 miljard bezuinigen

Structurele maatregelen zijn nodig om de economie te versterken. Beteugel de zorgkosten en pak de hypotheekrenteaftrek eens aan, betogen Arnoud Boot en Lans Bovenberg.

De grootste bedreiging voor Nederland is een patstelling tussen partijen die voorzichtig willen bezuinigen maar wel open staan voor structurele hervormingen – PvdA en GroenLinks – en partijen die een taboe uitspreken over bepaalde structurele hervormingen maar wel zwaar willen bezuinigen – VVD en CDA met hun taboe op hervormingen van het geldverslindende woningdossier. Onenigheid is te verwachten over de wenselijkheid van welke bezuiniging dan ook. Hervormingen dreigen op de lange baan te worden geschoven.

Daarbij is er onduidelijkheid over de toestand van de overheidsfinanciën. Demagogie, onjuiste voorstellingen van zaken en paniek zaaien domineren het debat. Nederland is geen Griekenland. Laten we twee zaken proberen te verhelderen: allereerst hoe de toestand van de overheidsfinanciën werkelijk is, en ten tweede wat de echte inzet moet zijn voor een verantwoord economisch beleid in de komende kabinetsperiode.

Uit de recente projecties van het CPB blijkt dat de shockerende bezuinigingsopgave van 29 miljard euro maar voor ongeveer 6 miljard te wijten is aan de kredietcrisis. De kredietcrisis heeft buiten een eenmalige sprong in de staatsschuld en hogere rentelasten weinig effect op de overheidshuishouding. Het CPB schat in dat de kredietcrisis een eenmalig structureel productieverlies van zo’n 2 procent heeft opgeleverd zonder negatieve consequenties voor het structurele groeipad.

Toch snijden de zorgen over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën wel degelijk hout.

Een belangrijke factor is de overschatting van het productiepotentieel van de Nederlandse economie voordat de kredietcrisis toesloeg. De arbeidsmarkt in 2007 was meer gespannen dan het CPB toen dacht. Dit verklaart ook waarom het CPB het oplopen van de werkloosheid tijdens de crisis overschatte. De te hoge schatting van het Nederlandse productiepotentieel vertaalde zich in te hoge uitgavenplafonds voor de overheid. De overheid leefde daardoor boven haar stand.

Deze incidentele verklaringen noodzaken tot bezuinigen. Daarnaast zijn er structurele ontwikkelingen die dwingen tot bezinning op overheidstaken: de sterk stijgende levensverwachting en de daarmee gepaard gaande afnemende verhouding tussen actieven en inactieven, de toenemende collectieve zorguitgaven, duurzaamheidsvraagstukken, en de intensievere internationale concurrentie.

In de komende kabinetsperiode moet een kleine 10 miljard euro bezuinigd worden om de kosten van de kredietcrisis en de te hoge inschatting van het Nederlandse productiepotentieel te corrigeren. Dit komt bovenop de ruim 10 miljard aan maatregelen die het CPB al heeft ingeboekt in haar centrale pad (en buiten haar 29 miljard euro bezuinigingsopgave heeft gelaten). Nog meer bezuinigen is alleen wenselijk voor het faciliteren van extra intensiveringen in de sfeer van onderwijs en onderzoek. Met deze 10 miljard zitten we op een verantwoord pad. In de daarop volgende kabinetsperiode, 2015 dus, zal blijken hoe het tekort er dan voorstaat, en of verder bezuinigen nodig is.

Maar blijft er dan na die 10 miljard niet nog bijna 20 miljard over van de door het CPB berekende houdbaarheidsopgave van 29 miljard? Ja, maar deze heeft niets te maken met een overheidstekort waarvoor nu moet worden bezuinigd. De resterende opdracht betreft geloofwaardige aanpassingen van met name vergrijzingsgevoelige instituties. Structurele maatregelen zijn nodig die de verdiencapaciteit van de economie versterken.

Drie maatregelen moeten centraal staan. Ten eerste, investeren in mensen om zodoende de arbeidsparticipatie te verhogen. Het gaat hier om het hervormen van instituties die de arbeidsdeelname van ouderen belemmeren. Het verhogen van de AOW-leeftijd is hier onderdeel van. De stijgende pensioenkosten kunnen dan worden beheerst.

Ten tweede moeten de subsidies en belastingfaciliteiten worden aangepakt die een directe aanslag zijn op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Het rondpompen van geld via hypotheekrenteaftrek en huursubsidies bijvoorbeeld. Verbreding van de belastinggrondslag zorgt dat werkenden niet ontmoedigd worden door hogere tarieven. Bovendien wordt hiermee de financiering van essentiële publieke voorzieningen veilig gesteld als toenemende internationale concurrentie vraagt om neerwaartse aanpassing van belastingtarieven.

Ten slotte is het adresseren van de oplopende zorgkosten van groot belang. De toenemende vraag naar (collectief gefinancierde) zorg is maar voor een deel in de vergrijzingssommen van het CPB verwerkt en vraagt om een fundamentele (her)bezinning. Bedoelde maatregelen moeten voor 2015 aangekondigd worden, maar zullen meestal pas na 2015 resultaat opleveren. Geleidelijkheid staat hier centraal op straffe van forse vermogens- en inkomenseffecten en een uitholling van het vertrouwen in de overheid. De overheid kan op veel terreinen de spelregels niet anders dan heel geleidelijk veranderen.

De structurele maatregelen moeten de economie versterken door vrij baan te geven aan innovatie en ondernemerschap. De vitaliteit van de economie moet centraal staan, en dit is ook de belangrijkste les uit de problemen in de zuidelijke lidstaten. Maar dit staat los van de kredietcrisis. Sterker nog, de directe relevantie van de kredietcrisis voor de financiële huishouding van de overheid is beperkt. Wel dwingt het pro-cyclische beleid van voor de crisis nu tot bezuinigen. Maar vooral moet de kredietcrisis ons wakker schudden om al lang bestaande structurele problemen aan te pakken.

Arnoud Boot is hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam. Lans Bovenberg is hoogleraar economie aan de Universiteit van Tilburg.