'Trek vredesmissie niet te snel terug uit Congo'

President Kabila eist dat de VN-vredesmissie in Congo vertrekt. Alan Doss, hoofd van de missie, wil voorlopig blijven. „Anders winnen milities weer terrein.”

De hoogste baas van de VN-vredesmissie in Congo is het fundamenteel oneens met zijn ‘gastheer’, de Congolese president Joseph Kabila.

Als het aan Kabila ligt trekt ’s werelds grootste VN-missie (20.000 blauwhelmen) zich volledig terug vóór de verkiezingen in Congo, die over ruim een jaar moeten plaatsvinden. Kabila heeft hiertoe vorige maand een verzoek overgebracht aan de VN-Veiligheidsraad. Maar Alan Doss, hoofd van de VN-vredesmissie in Congo (MONUC), wil zich niet naar de uitgang laten haasten.

„We zijn het erover eens dat MONUC niet eindeloos kan blijven”, zegt Doss in Den Haag na een ontmoeting met diplomaten en hulporganisatie Oxfam Novib over de toekomst van Congo. „Maar wij willen dat de terugtrekking geleidelijk verloopt, op basis van de veiligheidssituatie in Congo. Als MONUC vertrekt, moet het Congolese leger, de Congolese politie, ja moet de Congolese staat de veiligheid kunnen verzorgen. Anders winnen milities weer terrein.” En dus, vindt Doss, moet MONUC zich niet door Kabila laten „vastleggen” op een terugtrekkingsschema.

Een soortgelijk geluid komt van John Holmes, de hoogstverantwoordelijke binnen de VN voor humanitaire noodhulp. Op bezoek in Oost-Congo zei Holmes afgelopen vrijdag dat MONUC voorlopig „onmisbaar” is.

MONUC belooft de komende maanden voor brede discussie te gaan zorgen binnen de internationale gemeenschap. Nu de terugtrekking van de tien jaar oude missie op de agenda staat, breekt de fase aan van evaluatie en van invulling van het resterende mandaat.

Vast staat dat MONUC president Kabila tegemoet komt door vanaf 30 juni – de vijftigste verjaardag van Congo’s onafhankelijkheid – de eerste 2.000 vredessoldaten terug te trekken. Daarna ligt, als het van de VN afhangt, alles open. Terwijl Kabila al een datum voor volledige terugtrekking verlangt. De president zegt dat de Congolese autoriteiten inmiddels zelf voor veiligheid kunnen zorgen. Waarnemers houden er rekening mee dat Kabila – die in 2006 verkiezingen won die mede mogelijk waren gemaakt door MONUC – voor de volgende stembusgang aan de Congolese kiezer wil bewijzen dat hij het voortaan wel afkan zonder buitenlandse hulp.

Mensenrechtenorganisaties willen juist dat MONUC langer blijft: anders krijgen milities vrij spel in Oost-Congo, waar zij al jaren burgers terroriseren. Ook het onderbetaalde en slecht getrainde Congolese regeringsleger, dat misdaden heeft begaan tegen burgers, kan dan vrijelijk zijn gang gaan.

„De Congolese regering wil van MONUC geen eindeloos proces maken, en de regering is uiteindelijk verantwoordelijk”, zegt Doss. „We moeten dus tot een vergelijk komen.” Formeel zou MONUC ook zonder hernieuwde toestemming van Kabila misschien in Congo kunnen blijven, maar het is hoogst onwaarschijnlijk dat dit gebeurt. De missie zou het karakter krijgen van een ‘gewapende interventie’, iets waar de Veiligheidsraad maar zelden mee instemt.

Hulporganisaties mogen benadrukken dat MONUC moet blijven, ze zijn tegelijk bijzonder kritisch. Veel organisaties oordelen ronduit vernietigend over het optreden van MONUC in het voorbije jaar. MONUC verschafte – op verzoek van de Veiligheidsraad én Kabila – actieve steun aan Congolese legeroperaties tegen militanten. De VN-troepen leverden voedsel en vervoer, maar ook vuurkracht.

De door MONUC gesteunde operaties maakten wraakaanvallen van militanten los, waarvan de Oost-Congolese burgerbevolking het slachtoffer werd. De VN-macht wekte ook de indruk het weinig gedisciplineerde, corrupte en in sommige gevallen misdadige Congolese leger te legitimeren. Het verhield zich moeilijk met het neutrale uitgangspunt van de VN. Dat hulp- en mensenrechtenorganisaties desondanks willen dat MONUC langer blijft, is vooral omdat ze bang zijn dat de situatie anders nóg erger wordt.

„Ik vind de balans van onze samenwerking met het Congolese leger positief”, zegt Doss. „Ik heb van tevoren gewaarschuwd voor de humanitaire gevolgen van gezamenlijke operaties. En we hebben ons uiterste best gedaan de negatieve gevolgen te beperken. Maar er bestaat niet zoiets als een risicovrije militaire operatie. Zeker niet in Oost-Congo, waar al vijftien jaar geweld heerst. Je moet de risico’s afwegen tegen de vraag of we willen dat milities hun gang kunnen blijven gaan.”

Ondanks Doss’ verweer concludeerden deskundigen, die onderzoek deden in opdracht van de Veiligheidsraad zelf, vorig najaar dat de samenwerking van MONUC met het Congolese leger de humanitaire crisis in Congo had „verergerd”.

De huidige samenwerking met het Congolese leger is dan ook een stuk beperkter. MONUC richt zich weer meer op ‘klassiek’ vredeswerk zoals het opereren als buffer tussen gewapende groeperingen en ongewapende burgers. De rol dus die de hulporganisaties graag zien. De afstand tussen de hen en MONUC lijkt weer wat af te nemen. Toch kan Doss zijn onbegrip over de organisaties niet verbergen. „Op vredesmissie in Congo? Je doet het nooit goed.”