Schisma in eurozone

B ij alle recente onheilstijdingen over Europa zou bijna worden vergeten dat er op het continent soms sprake is van economisch herstel, zij het voorzichtig. Gisteren bleek de werkloosheid in Duitsland te zijn gedaald. Dat heeft te maken met de strenge winter, maar ook met de onderliggende economische fundamenten van het land. De Duitse concurrentiepositie is de afgelopen tien jaar flink verbeterd. De resultaten van het Duitse bedrijfsleven zijn daarom gunstig.

In de hele eurozone blijkt de stemming over de economie te zijn verbeterd. Maar onder dat algemene cijfer gaat een tweedeling schuil in wat grofweg het noorden en het zuiden mag worden genoemd. Dat geldt ook voor de ramingen van de economische groei in dit jaar en het volgende.

Het verschil tussen noord en zuid zit niet alleen in het drukkende effect van de harde bezuinigingsmaatregelen die in Griekenland, Portugal en ook Spanje worden geopperd. De scheiding heeft al veel langer geleden plaatsgevonden.

Toetreding tot de euro heeft met name in Duitsland, maar ook in de landen daaromheen, zoals Nederland, gezorgd voor het besef dat men in een monetair keurslijf terecht is gekomen waarin het verbeteren van de concurrentiepositie alleen met structurele maatregelen kan worden bereikt. Daar tegenover staan veel zuidelijke landen, waar de komst van de euro vooral heeft gezorgd voor een flink dalende rente, naar een voorheen Duits niveau. Daar zijn de vruchten ten volle van geplukt, maar de concurrentiepositie is veronachtzaamd. Het gevolg is een dodelijke cocktail: stijgende arbeidskosten, teruglopende winstgevendheid van bedrijven plus een groeiend tekort op de handels- en betalingsbalans. De begrotingscrisis die nu de eurozone teistert is acuut geworden door de kredietcrisis en de economische recessie die daar op volgde. Maar de basis voor dit onheil was al veel eerder gelegd.

Dat heeft gevolgen voor de begrotingssanering die nu onder dwang van de financiële markten in de probleemlanden van de euro moet worden doorgevoerd. Het verhogen van de belastingen en andere staatsinkomsten is een relatief eenvoudige manier om de inkomsten en uitgaven van de staat weer in balans te brengen.

Maar dat helpt weinig om het belangrijkste onderliggende probleem, het verlies aan concurrentievermogen, ook aan te pakken. Veel beter zijn maatregelen die het uitgavenpatroon van de staat en de lokale overheden drastisch beperken.

Dat laatste is pijnlijker, voor veel burgers concreter en dus politiek moeilijker uit te voeren. Toch is juist het saneren van de overheidsuitgaven cruciaal. In veel westerse landen zijn de staatsuitgaven als deel van de economie in het laatste decennium, een tijdperk van oorlog, weer toegenomen. Een slagvaardige economie moet het echter hebben van een bloeiende particuliere sector, niet van een te grote rol voor de staat. Dat is de opdracht voor de zuidelijke eurolanden, die hun positie ten opzichte van de noorderburen nu structureel moeten zien te verbeteren om herhaling te voorkomen.