Japan: een land dat niet begrepen wíl worden

David Mitchell: The Thousand Autumns of Jacob de Zoet. Sceptre, 471 blz. € 17,-. De vertaling verschijnt in juni bij Ailanthus ****

Ergens in David Mitchells nieuwe roman The Thousand Autumns of Jacob de Zoet zegt een Britse officier tegen zijn kapitein: ‘Japan is een land dat gewoon niet begrepen wíl worden.’ Juist daarom, lijkt de suggestie, spenderen sommige westerlingen hun hele leven aan het binnendringen in het ondoordringbare. Mitchell zelf is ook behoorlijk door het Japan-virus bevangen. Hij woonde en werkte in Hiroshima, trouwde met een Japanse, en maakte Japan (deels) het decor van veel romans.

In The Thousand Autumns of Jacob de Zoet draait het om de meest in zichzelf gekeerde periode uit de Japanse geschiedenis: het Tokugawa Shogunaat (1603- 1868). Ruim 250 jaar was elk contact met de buitenwereld verboden. Er werd alleen een uitzondering gemaakt voor een handvol Nederlanders op het eilandje Dejima, een handelspost voor de kust van Nagasaki. Van daaruit ventte de Republiek het exclusieve recht op handel met het ‘land van duizend herfsten’ uit. Met als curieus gevolg dat Japans ideeën over de buitenwereld gevormd werden door Nederlandse boeken, en er een heel gilde van vertalers Nederlands ontstond.

Het is eind 1799 wanneer Jacob de Zoet, een Nederlandse klerk, naar Dejima wordt gezonden om de corruptie onder een inmiddels afgezet Opperhoofd in kaart te brengen. Dat maakt hem weinig populair. De Zoet hoopt in de Oriënt een fortuin te vergaren, om in Nederland een meisje van stand te kunnen trouwen. Maar op Dejima valt zijn oog al snel op Orito Aibagawa, een verminkte vroedvrouw die het bij uitzondering is toegestaan lessen te volgen bij een Nederlandse arts. Dat ook vertaler Ogawa Uzaemon gevoelens heeft voor Orito, leert De Zoet pas lang nadat hij Ogawa heeft ingeschakeld als liaison. Bovendien heeft de sinistere leenheer Enomoto – ‘een schedel met huid eroverheen’ – zijn eigen plannen met de vroedvrouw. Hij ziet haar het liefst opgesloten in zijn lugubere tempel, waar nonnen worden misbruikt voor het ‘oogsten’ van baby’s.

Door de intriges op Dejima, de interactie tussen de Nederlanders en de Japanners en de grotere geopolitieke context te vervlechten met de individuele verhalen van Jacob de Zoet, Orito Aibagawa en Ogawa Uzaemon, neemt Mitchell veel hooi op zijn vork. De ontwikkelingen vragen, zoals bij al Mitchells werk, de nodige willing suspension of disbelief. Het knappe is dat Mitchell de lezer daartoe ook verleidt. Hoe hij de ingezette verhaallijnen tot een bevredigende samenhang weet te smeden, is een literair kunststukje. Het wekt niet alleen op cerebraal niveau bewondering, maar ook het hart wordt geraakt.

De Nederlandse lezer zal The Thousand Autumns of Jacob de Zoet mogelijk met gemengde gevoelens lezen. Eindelijk inzicht in dit curieuze stuk vaderlandse geschiedenis! Maar, zo knaagt het: waarom moest juist een Brit over die periode de definitieve roman afleveren?

Auke Hulst