Hossen, zuipen en zwelgen

Op Bevrijdingsdag vieren we vrijheid in het algemeen.

Hoeveel bier moet je eigenlijk drinken om tot dat begrip door te dringen?

Woensdag is het Bevrijdingsdag. Vijf dagen na Koninginnedag kunnen de dranghekken, podia en pispalen weer op straat worden gezet. Nee, de crisis heeft bij de herdenkingsdagen nog niet toegeslagen: Guus Meeuwis, Boris en Junkie XL zullen met helikopters naar dertien gratis Bevrijdingsfestivals worden gevlogen. Overal is er muziek, overal is vuurwerk, Nederland viert massaal feest.

En dat allemaal ter ere van de bevrijding op 5 mei 1945. De dag dat een volledig uitgemergeld en verrot Nederland het na vijf jaren van verstikkende onderdrukking eindelijk eens zonder de nazi’s mocht stellen. De dag dat een handjevol Joden dat niet verraden werd uit hun schuilplaatsen te voorschijn kwam, om erachter te komen dat hun huizen leeggeroofd of ingepikt waren en hun familie vermoord.

Natuurlijk was er ook opluchting, en daadwerkelijke bevrijding. Maar achter die rijen juichende mensen liggen de lijken van 100.000 Nederlanders, vermoord omdat ze Joden waren. Een paar maanden daarvoor stierven er nog eens 20.000 Nederlanders van de honger. Op 5 mei zaten er nog steeds bijna 100.000 Nederlanders gevangen in de Jappenkampen. Ik wil de pret op Bevrijdingspop 2010 niet drukken, maar eigenlijk viel er bar weinig te vieren tijdens de bevrijding van Nederland.

De eerste jaren na de oorlog werd de bevrijding uitbundig gevierd. Er heerste een verzetsmythe in Nederland. We geloofden dat het Nederlandse volk een volk van verzetsstrijders was geweest, dat keihard had gevochten voor zijn bevrijding. Nu weten we hoe ver we ernaast zaten. Dat Nederland maar een handjevol verzetsstrijders kende en dat de politie, de spoorwegen en de ambtenarij met grote precisie en vlijt hadden meegewerkt met de nazi’s. 20.000 Nederlanders hadden zich aangemeld als SS-vrijwilligers. De NSB had 100.000 leden. Met die wijsheid komt de Bevrijdingsdag in een ander licht te staan. Wat heeft een land tenslotte nog te vieren als het zodanig is toegetakeld en zo weinig weerstand tegen zijn onderdrukking had geboden?

Toch vieren we de bevrijding nog steeds, al is het in een sterk afgezwakte vorm. Sinds 1994 is de veralgemenisering toegeslagen. Op 5 mei is het niet meer de bedoeling dat we de specifieke bevrijding van 1945 vieren, maar de vrijheid in het algemeen. ‘Wij staan gezamenlijk stil bij oorlog en vrede, vrijheid en onderdrukking, verantwoordelijkheid en democratie, menswaardigheid en respect’, aldus het Nationaal Comité voor 4 en 5 mei.

Ik vind al die begrippen maar moeilijk te vieren. Ik weet niet welke slingers bij ‘respect’ horen, hoeveel bier ik moet drinken om te begrijpen wat de ware toedracht van ‘verantwoordelijkheid en democratie’ is. Op 4 mei is het geen probleem. Ik sluit mijn ogen en gruwel van concentratiekampen, bombardementen, gesneuvelde soldaten. Beeldmateriaal genoeg. Maar op 5 mei wordt het lastiger, als ik zie hoe een hossende, zuipende en zwelgende menigte op de muziek van Guus Meeuwis een of ander vaag begrip viert.

Natuurlijk doet het Nationaal Comité voor 4 en 5 mei pogingen om inhoud toe te voegen: de artiesten heten bijvoorbeeld ‘ambassadeurs van de vrijheid’. En tussen de liedjes door, roepen ze dingen als ‘Muziek maak je met elkaar, vrijheid maak je met elkaar’. En daar leert het publiek dan van. Dat zet ze aan het denken.

En naast de festivals zijn er ook lezingen en debatten. Maar zelfs daar is men er niet over uit wat vrijheid is, en of méér vrijheid goed is. Ook daar wordt er gedebatteerd over waar de ene vrijheid ophoudt en de andere begint. Nu het proces tegen Wilders in volle gang is staat de vrijheid van meningsuiting weer volop ter discussie en is het meer dan ooit onduidelijk welke vrijheid we eigenlijk geacht worden te vieren; welk slecht gedefinieerd filosofisch concept er precies centraal moet staan tijdens het bier drinken.

Het Nationaal Comité trekt zich niks aan van al deze vragen, dat zou zijn bestaansrecht namelijk in twijfel kunnen trekken. Ze zullen er per definitie altijd van overtuigd blijven dat er een urgente maatschappelijke noodzaak bestaat om het publiek ‘bewust te maken’ van vrijheid (of althans, de discussie daarover). En dat men ook daadwerkelijk ‘aan het denken wordt gezet’ door alle evenementen. Maar eigenlijk is dat wishful thinking van zowel het Comité als de mensen die het jaarlijks van een miljoenenbudget voorzien. Eigenlijk wordt alleen het kleine publiek van de debatten en lezingen aan het denken gezet, terwijl de ‘bewustwording’ bij die doelgroep misschien wel het minst nodig was. Voor het grote publiek is Bevrijdingsdag net zo’n betekenisloos volksfeest geworden als Koninginnedag. Het vage idealisme van de organisatoren heeft alle betekenis weggevaagd.

Ooit was het de vraag of het wel gepast is om zo’n bittere bevrijding zo groots te vieren. Nu is de vraag wat er eigenlijk gevierd wordt, en vooral waarom. Laat Bevrijdingsdag met de laatste verzetsstrijder een zachte dood sterven en laten we op 5 mei gewoon weer aan het werk gaan.

Rosanne Hertzberger is columnist van nrc.next.