Het Oogziekenhuis Rotterdam loopt eigenlijk niet voorop

Met verbazing heeft het bestuur van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG) kennisgenomen van het artikel over het Oogziekenhuis Rotterdam (NRC Handelsblad, 17 april). Anders dan de plaats van het bericht (de voorpagina) doet suggereren, bevat het bericht geen actueel nieuws.

Het franchisemodel is al tijden gangbaar. Verder worden er enkele ontwikkelingen toegeschreven aan het desbetreffende ziekenhuis die feitelijk ontwikkelingen zijn die op veel plaatsen hebben plaatsgevonden, niet zelden elders eerder. Zo is het clusteren van identieke ingrepen per dagdeel in alle oogheelkundige praktijken al minstens een decennium gemeengoed.

Oogheelkundige operaties vinden overal in dagbehandeling plaats en overal wandelen patiënten vrijwel direct na afloop het ziekenhuis weer uit.

Dat de wachttijden van een half jaar gereduceerd zijn tot minder dan zes weken – op veel plaatsen zijn de wachttijden nog veel korter – is evenmin een verdienste van het Oogziekenhuis, maar een gevolg van een politieke beslissing om het aantal ingrepen niet langer te quoteren.

De in het artikel genoemde exclusiviteit roept vragen op. Wat is het standpunt van de NMa in deze? Hoe verhouden dergelijke afspraken zich tot de vrije artsenkeuze van de patiënt?

In de webeditie van het artikel wordt het desbetreffende ziekenhuis neergezet als dé top in Nederland, iets wat het ziekenhuis ook graag over zichzelf roept. Zowel voor de opleiding tot oogarts als voor derdelijns oogheelkundige zorg kan men terecht in alle academische centra en in het Oogziekenhuis.

Prof. dr S.M. Imhof

Voorzitter Nederlands Oogheelkundig Gezelschap