Dieren met een pr-probleem

Met wijdopen ogen lig ik in het donker op bed. Ik verroer me niet. Ik luister. Heel lang blijft het stil, hoor ik alleen het tikken van de klok, af en toe een auto buiten. Ik begin me al af te vragen of ik het me verbeeld heb, maar dan begint het weer. Een vaag

Met wijdopen ogen lig ik in het donker op bed. Ik verroer me niet. Ik luister.

Heel lang blijft het stil, hoor ik alleen het tikken van de klok, af en toe een auto buiten. Ik begin me al af te vragen of ik het me verbeeld heb, maar dan begint het weer. Een vaag gezoem in de duisternis. Het komt dichterbij.

Het geluid is dun en klein maar het zoemen wordt langzaamaan feller, nijdiger, tot het precies in mijn oorschelp lijkt te zitten. Dit is het moment waarop ik woest uithaal en mezelf hard op mijn oor sla. Even is het stil, en hoopvol spits ik mijn oren. Dan begint het zoemen weer. Het klinkt triomfantelijk.

Er zit een mug in mijn slaapkamer.

Dit lijkt misschien een triviaal feitje, maar in werkelijkheid is het op dit moment genoeg reden om een pizzasnijder erbij te pakken en harakiri te plegen. Al drie uur lang ben ik verwikkeld in een gevecht. Twee keer dacht ik dat ik hem te pakken had, maar zodra ik mijn ogen sloot en wegdoezelde was daar weer het zuigende gezoem.

Nu ben ik rechtop in bed aan het wachten. Ik denk: „Horen er nu eigenlijk al muggen te zijn?” en „ik wou dat ik een bazooka had”. Met rode ogen spied ik door mijn kamer. De mug is geloof ik aan het winnen.

Begrijp me niet verkeerd, ik hou van dieren. Ook van dieren met een pr-probleem. Ik heb ooit de Pissebeddenclub opgericht, ter bevordering van hartelijkheid jegens de pissebed. Maar muggen zijn de enigen die van mij met een reuzenstofzuiger opgezogen mogen worden.

Misschien komt dat doordat ze mij al heel mijn leven beschouwen als een soort lopend buffet. Ik ben degene met wie iedereen een tent wil delen: mocht er een mug in zitten dan komen zij ongeschonden tevoorschijn, terwijl ik als een menselijke krentenbol naar buiten rol.

Het zou nog niet eens zo erg zijn als ik een verbond met de mug kon sluiten: ga je gang, tap maar wat bloed af, ik mis het niet. Maar geef me geen gif als snood afscheidscadeau. En ook belangrijk: houd je mond. Of je zuigsnuit, dan.

Ik móet hem vinden. Steeds als het donker is komt hij tevoorschijn, maar als ik dan het licht aandoe, springt hij snel achter een gordijntje. Als een moderne geestenverdrijver loop ik door mijn kamer op muren en boeken te kloppen, maar hij lijkt totaal verdwenen.

En plots zie ik hem.

Ik haal uit en raak hem vol, een bloedvlek smeert zich uit over mijn muur, maar ik let er niet op, ik haal opgelucht adem. Tevreden nestel ik me in bed. Om na vijf minuten zacht gezoem te horen.

Aha. Het was er dus niet één.