De totalitaire sportstaat van 2028

„B estaat er iets dat nog stommer is dan sport?”, vroeg Rudy Kousbroek zich nog eens af in zijn laatste bundel. Niets voor hem, sport.Wat me vaak verbaasde was dat zijn afkeer vooral de fysieke kant van de bezigheid gold.Tot z’n dood toe zou hij qua kennis de uitblinker van de klas blijven, maar hij deed het in z’n broek als hij bij gymnastiek aan de ringen moest hangen. Wie wilde schitteren had hersens nodig, niet z’n lijf. Daarom was sport in zichzelf het stomst denkbare.

Ik kan het idee volgen. Zelf heb ik ook nooit met genoegen teruggedacht aan het wandrek. Maar ik heb evenmin ooit echte weerzin gevoeld als ik een marathonloper de laatste meters van z’n parcours als een zombie zag afleggen, of wanneer een murwgeslagen bokser door zijn trainer na de vijfde ronde toch nog naar de zesde werd gestuurd, of als Ajax kampioen had kunnen worden, wanneer Twente niet van NAC had gewonnen. U hoeft me er niet voor uit bed te bellen, maar u moet toegeven dat in termen van horror, leedvermaak en donderslagen bij heldere hemel, de geschiedenis van sportevenementen waarschijnlijk meer hoogtepunten heeft opgeleverd dan bijvoorbeeld die van de politiek.

Met sport en met sporters is weinig mis. Je moet er van houden, zoals een ander van kunst houdt, wat ook iets sektarisch heeft: er zijn miljoenen mensen die zich afvragen of er nog iets stommers bestaat dan kunst. Sport wordt volgens mij bedorven door personen die er wel minister van zijn of voorzitter of topfunctionaris, maar zich er alleen in die hoedanigheid mee bezighouden. Laatste marathonmeters, bebloede boksbeugels en peilloze voetbaldesillusies laat ze koud.

Op de avond van Koninginnedag zaten er vijf om de tafel van Pauw en Witteman, die de samenleving alvast een bid presenteerden voor de Olympische Spelen in Nederland. De hoogstgeplaatste was uiteraard Ivo Opstelten, die voorzitter is van het Council Olympisch Plan 2028 – een lichaam dat is samengesteld uit burgemeesters, en voorzitters van iets lagere organen, wat Opstelten tot een natuurlijke hypervoorzitter maakt.

Hiërarchisch meteen onder hem zat Erica Terpstra, die verwacht dat in 2028 onze kanjers rijp zijn voor goud in alle categorieën. Zij had zelf weer kanjers uit de wereld van architectuur en futurologie naast zich: twee innovateurs van wie de één een maquette had meegebracht van zeventig op elkaar gestapelde pannekoeken waarin straks alle olympische nummers kunnen worden opgeborgen, en de ander bezig is met een elftal van robots, waarmee we de wereld zullen overbluffen.

Uit alles wat de bidders ter discussie brachten, bleek dat sport er wat hen betreft in 2028 weinig toe doet. De Spelen van over 18 jaar zullen ons behalve economische voordelen (al in 2006 exporteerden we voor 1.1 miljard euro aan o.a. kunstgras en sportdrank), een volmaakt wegennet en een ‘topsportklimaat’ opleveren dat ‘een positieve uitwerking’ heeft op de hele samenleving’.En had Willem-Alexander niet al gezegd dat we een sportland moeten willen worden? Dus niet een paar eenlingen die leuk kunnen zwemmen, maar 17 miljoen totalitaire atleten.

Redden we dat in die korte tijd?

Voor een antwoord op die vraag was Mart Smeets uitgenodigd, die eerst gebogen en stil, met de handen gevouwen langs de neusvleugels, en de ogen gesloten, naast de anderen de pose van de Denker had aangenomen, van de nationale aansteller, maar die tenslotte het ergste bleek te vrezen. Want verre van een volk van sportieve excellentie te worden, waren we van Calvijn tot Den Uyl middelmaat gebleven. Het applaus van Erica was verdiend, maar hielp het? Wat helpt, zei Mart, is gymnastiek op de basisschool weer verplicht stellen.

Ik dacht aan Rudy Kousbroek. Bestaat er iets dat nog stommer is dan Mart Smeets?

Jan Blokker