Apocalyptisch

Wanneer de zoon en de vader na een slopende tocht door het verwoeste Amerika eindelijk de Golf van Mexico hebben bereikt, blijkt niets in de voorstelling van de jongen te kloppen. ‘Lange gebogen lijn strand voor hen. Grijs als lavazand. De wind uit de zee verspreidt een flauwe herinnering aan zout. Meer niet. Geen zeelucht.’ [...] ‘Het spijt me dat het niet blauw is, zegt hij. Dat maakt niet uit, zegt de jongen.’

Het is die passage uit de apocalyptische roman The Road van Cormac McCarthy waaraan ik moest denken bij de olieramp in de Golf van Mexico. Het dichten van een verwoeste boorpijp op anderhalve kilometer diepte, waaruit elke dag 800.000 liter olie of meer stroomt, kan nog maanden duren. Maar een catastrofe wilde oliemaatschappij BP het vorige week niet noemen.

Ik vroeg me af hoeveel rampen er voor nodig zouden zijn voordat de catastrofe die de olie-industrie is wél een probleem zou worden gevonden. Het donker drabbige vermoeden is dat er nog vele zullen volgen. Zo is het zelfs aan Europa’s hoop in bange dagen, Barack Obama, te danken dat omstreden diepzeeboringen aan de Amerikaanse Oostkust weer bespreekbaar zijn geworden. Op dat punt kan de president het goed vinden met Sarah ‘drill-baby-drill’ Palin, die grote Republikeinse steun geniet om de Amerikaanse aarde grondig af te stropen naar olie.

De Verenigde Staten veinzen een diepe wens tot onafhankelijkheid van olieproducerende boevenstaten in het Midden-Oosten en Latijns-Amerika. Maar wat onbesproken blijft, is dat Amerikaanse olie de Amerikaanse afhankelijkheid van geïmporteerde olie niet oplost. Die olie, immers, is niet het eigendom van de VS. De bedrijven die de boorgaten mogen exploiteren, verkopen het zwarte goud op de vrije markt en niet exclusief aan de VS.

Dat weerhoudt geen maatschappij in de diepe wateren van de Golf van Mexico. Alternatieve brandstoffen zijn niet haar business. En tot die tijd is de zeebodem gewoon te koop. ‘Een uur later zitten ze op het strand, starend naar de muur van smog aan de horizon. [...] Koud, desolaat, vogelloos.’