Zzp'ers: zelfbewust zonder poespas

De arbeidsmarktstatistieken doen vreemd. De werkloosheid stijgt minder snel dan het Centraal Planbureau had berekend toen de kredietcrisis losbarstte, en ook met de inkomensontwikkeling gebeurt er iets raars. De cao-lonen stegen het afgelopen jaar met zo’n 2 procent, terwijl de gemiddelde inkomensstijging een stuk lager ligt. Wat is er aan de hand, wie is er bezig de werkelijkheid te veranderen ten koste van de cijfers?

Het zijn de zzp’ers van het land. Officieel is dat een afkorting voor ‘zelfstandigen zonder personeel’, al worden ze ook wel aangeduid met de laatdunkende term ‘zwakzinnigen zonder pensioen’. Ergens anders schreef een dagblad over „zzp’ers en Polen die een flexibele schil vormen rond de arbeidsmarkt” - een markt waar zij kennelijk geen deel van uitmaken. Zij zijn de randfiguren, zoals schoonmakers en vuilnisophalers ongeveer: ze horen er niet bij maar wat zouden we ze missen als ze er niet waren. ‘Zotten zonder perspectief” heb ik ook al horen zeggen. Als dat zo is, laten we dan even niet nalaten de lof van hun zotheid te zingen.

Zzp’ers zijn vogels van uiteenlopende pluimage, van praktische aanpakkers met een klussenbus tot professionele topadviseurs. Allemaal zijn ze ondernemers, hoewel soms tegen wil en dank, die bereid zijn met hun kennis en vaardigheid op de markt te gaan staan om daar hun inkomen mee te verdienen. Omdat ze per definitie alleen werken – ze zijn immers ‘zonder personeel’ – krijgen ze het hele palet van ondernemerstaken persoonlijk voor de kiezen. Vooral de spanning tussen acquisitie en uitvoering is lastig. Wanneer je bezig bent met een opdracht, moet je daar je volle aandacht aan geven. Tegelijk moet je ook zien de volgende klus binnen te halen, anders val je straks in een gat zonder werk en zonder inkomen.

Zijn zzp’ers allemaal vrijwillig op deze manier aan het werk gegaan? Nee, de meesten niet. Vaak hebben ze eerder ergens gewerkt waar ze zijn ontslagen of weggereorganiseerd. Of hebben ze geprobeerd ergens een baan met een arbeidscontract te krijgen wat niet gelukt is. Maar allemaal hebben ze de rug gerecht, de situatie onder ogen gezien, en besloten dat ze liever iets gingen doen, hoe schamel of onzeker de vooruitzichten ook, dan te blijven wachten op een aanbod dat nooit komt of te leven van een uitkering waar je ellendig van wordt. Soms staan ze met de rug tegen de muur, en ook dat geeft moed, zelfs al is het de moed der wanhoop. Net zoals het zeevolk dat zich aanmonsterde op de VOC-schepen. Sommigen kwamen nooit terug, anderen maakten fortuin. Maar allemaal gingen ze iets doen, ze bleven niet zitten wachten tot iemand anders hen uit de put zou trekken. En met zijn allen brachten ze een Gouden Eeuw tot stand.

Tienduizenden zzp’ers zijn er intussen. Als er veel werk is, zijn ze niet te beroerd om 80 uur per week te werken; als het een slappe tijd is, halen ze de buikriem aan en weten ze van 20 uur werk ook rond te komen. Zo dempen ze als ‘flexibele schil rond de arbeidsmarkt’ bij hoogconjunctuur de verhitting, en de werkloosheidscijfers wanneer het minder goed gaat. Dat is lastig voor de mensen die de statistieken moeten bijhouden, maar zzp’ers werken niet voor de statistiek. Ze gebruiken hun hoofd en hun handen om iets nuttigs te produceren en een inkomen te verdienen voor zichzelf en voor hun gezinnen. Intussen zorgen zij ook nog voor allerlei sociale, organisatorische en technische innovaties, want niets maakt zo creatief als het besef dat alleen je eigen goede idee het verschil maakt tussen succes en falen.

De opkomst van de zzp’er zou wel eens de belangrijkste sociaal-economische ontwikkeling van de laatste vijftig jaar kunnen zijn. Het is een mentaal omslagpunt, weg van het denken in termen van rechten en aanspraken waar anderen voor moeten opdraaien, en in de richting van zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid. Het is een kijk op de wereld die de honderdduizenden middenstanders in het land natuurlijk altijd al hadden; nu breidt deze instelling zich uit naar kleinschalige dienstverlening en ambachtelijke productie.

Zzp’ers mopperen niet, zij houden hun hand niet op, en zij doen niet mee aan de spelletjes van claims en procederen. Dat is veel te kostbaar, want terwijl je daarmee bezig bent, kun je niet aan het werk. Zij hebben liever een praktisch compromis vandaag dan een juridisch perfecte overwinning over een jaar.

Als zzp’ers de flexibele schil zijn, dan is de rest van de arbeidsmarkt kennelijk de starre kern. Maar ook daar is iets aan het gebeuren. Wijs geworden door de toename van tijdelijke dienstverbanden en outsourcing, gaan steeds minder werknemers ervan uit dat zij kunnen rekenen op een langdurige relatie met een bedrijf. De uitkomst: ook in grote organisaties begint het besef te ontstaan dat je als medewerker zelf voor je positie en je belangen moet zorgen. Dat is inclusief de noodzaak zelf je vaardigheden te onderhouden en verder te ontwikkelen, en nu alvast bezig te zijn met wat je gaat doen als je huidige inkomstenbron wegvalt. Kortom, de medewerker wordt een soort zzp’er, en de organisatie waar hij toevallig vandaag op de loonlijst staat, wordt een klant. Die moet goed bediend worden, want een ontevreden klant is niet goed voor de zaak. Maar er is geen belofte of verwachting van eeuwige trouw, en geen verwijten, afkoopsommen of schadevergoedingen bij het afscheid.

Het model is niet ideaal. Wederzijdse intensieve betrokkenheid tussen medewerkers en organisaties leveren altijd betere resultaten en meer arbeidsvreugde op. Bij het midden- en kleinbedrijf, en zeker bij familieondernemingen, wil dat vaak wel lukken. Maar grote organisaties, met hun wisselende populaties en vaak kortetermijnoriëntatie, zijn tot dit soort intimiteit zelden in staat. Dan is het beter dat te erkennen en elkaar over en weer zakelijk te benaderen. Zzp wordt dan ‘zelfbewust zonder poespas’.