Zwaluwwachten

Karel Knip

Hou drie achtereenvolgende jaren precies bij op welke dag de gierzwaluwen weer terug zijn aan de hemel en je blijft dat de rest van je leven doen. Vogelaar H. Nuijen in Hilversum begon er mee toen hij in 1942 als 15-jarige lid werd van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. Volgend jaar noteert hij zijn 70ste waarneming.

Dit jaar zag hij de vogels op zaterdag 24 april terug boven Hilversum. In Amsterdam waren ze volgens AW-observatie al de avond ervoor teruggekeerd. Drie dagen vlogen ze krijsend boven de stad, toen waren ze weer weg.

Nuijen is hier drie jaar geleden al genoemd, dit jaar voegen we drie nieuwe punten toe aan zijn waarnemingsreeks plus de data die sinds 1973 van AW-wege zijn verzameld. De overeenkomst tussen de twee homogene reeksen (zelfde waarnemer, zelfde plaats) is heel bevredigend. Samen geven ze een aardig beeld van de registratienauwkeurigheid en het lijkt wel zeker dat de gierzwaluwen tegenwoordig stelselmatig eerder terugkomen dan vroeger. Sinds 1975 wel een dag of acht eerder.

In 2007 werd dit ook al opgemerkt, inclusief de constatering dat ze volgens Nuijen in de jaren zestig óók heel vroeg terug waren, en er valt vandaag niet veel aan toe te voegen. Behalve de ontdekking dat Scholar Google met de trefwoorden ‘swift’ en ‘Apus’ (plus een woordje naar keuze: arrival, nocturnal, etc. ) de weg wijst naar een schitterende hoeveelheid wetenschappelijke gierzwaluwliteratuur. Moeiteloos helpt die allerlei sprookjes de wereld uit.

Ongekend veel aandacht is er voor mogelijke verschuivingen (vervroegingen) in de terugkeerdatum van de gierzwaluw en andere trekvogels die de Sahara over moeten. Onderzoekers die een vervroeging vaststellen gebruiken vaak korte meetreeksen. In lange waarnemingsreeksen is ook geregeld een verlating zichtbaar. Zo zie je hoe gevaarlijk het is trends zomaar aan klimaatverandering toe te schrijven.

Onweerstaanbaar is voor veel onderzoekers de neiging om de verschuivingen in ‘arrival date’ langs statistische weg met iets in verband te brengen. Het weer op de aankomstplek, het weer onderweg en – misschien wel het meest voor de hand liggend – het weer op de vertrekplek (in Afrika). Of alle drie tegelijk. Het is ook een fijne statistische exercitie om uit te zoeken welke vogels het meest samen optrekken in de incidentele vervroeging of verlating. Co-fluctuation in migration timing, heet dat. De tjiftjaf fluctueert samen met de zwartkop, de gierzwaluw met de rietzanger. Zei Zdenek Hubálek in 2005.

De buitenstaander gebruikt alle informatie graag om op zijn gemak te bekijken wanneer de gierzwaluwen doorgaans in andere landen arriveren. In Berlijn pas de eerste dagen van mei, in Schotland half mei, maar in Noord Italïe (rond de Po) nota bene al rond 4 april. In de Oeral rond 19 mei, in Moermansk pas de eerste week van juni. Ulrich Tigges in Podoces, 2007, heeft een groot overzicht. Hij noteert wat van AW-wege al eens eerder is verondersteld: dat de gierzwaluw altijd tamelijk precies 95 dagen in het broedgebied blijft. De vroegere terugkeer van tegenwoordig lijkt gepaard te gaan met een vervroegd vertrek, al eind juli.

Tigges’ notitie in 2007 spoort niet helemaal met zijn opmerking in 2006 (ook in Podoces) dat gierzwaluwen altijd in vier golven arriveren. Eerst een vooruitgeschoven voorhoede, dan de voorhoede en de hoofdmacht en tenslotte de achterhoede van vogels die niet zullen gaan broeden. Die arriveren pas halverwege de zomer. Of het allemaal waar is valt te bezien. Passeerde vorig weekend die vooruitgeschoven voorhoede, de advance guard?

Er is brede wetenschappelijke twijfel over de vraag hoe de terugkeerdatum van trekvogels moet worden vastgesteld. Noteer je de eerste de beste vogel die in beeld komt? Dat kan een willekeurige passant zijn, op weg naar het hoge noorden. Wil je alleen de vogels turven die lokaal gaan broeden dan zou je bij het nest moeten kijken. Meestal wordt toch gewoon de eerste de beste geteld.

Dat zadelt ons op met een vreemd probleem. In Spanje worden de eerste gierzwaluwen in de lente gemiddelde genomen later gezien dan in Nederland (afgezien van een klein gebied rond Gibraltar). Omdat ze boven de Po-vlakte juist heel vroeg gezien worden zou je daaruit afleiden dat ‘onze’ zwaluwen via Italië van en naar Afrika reizen. Tenzij de Hollandse zwaluwen Spanje ongemerkt weten te passeren.

In principe kan dat. Gierzwaluwen vliegen vaak hoog en vaak ’s nachts. En ze vliegen hard, in de vermaarde ‘screaming parties’ tot wel 110 km/h is laatst in Zweden met video-opnames vastgesteld (Per Henningsson in de Journal of Avian Biology). Tijdens de trek ligt de snelheid maar half zo hoog, maar dat is voldoende om Spanje binnen een etmaal over te vliegen.

Het geheimzinnigst aan de gierzwaluw zijn zijn nachtelijke bezigheden, voor zover die niet bestaan uit broeden. Niemand ziet ooit gierzwaluwen in de vensterbank of op een tak zitten. Ze hebben daar niet de pootjes voor. Ze cirkelen in de lucht tot het te donker wordt om te zien waar ze heen gaan, en voor het weer licht is blijken ze cirkelend terug te zijn. Wat deden ze ondertussen?

Zomaar voor het oprapen lag na bezoek aan Scholar Google het artikel ‘De nachtvluchten van de Gierzwaluw’ uit Ardea (1950). Het beschrijft een poging te achterhalen wat de vogels na zonsondergang doen. De geobserveerde vogels stegen vlak voor het totale duister onverwacht naar zeer grote hoogte op en keerden vandaar pas tegen zonsopgang weer terug. Het stuk meldt dat piloten inderdaad ’s nachts op zeer grote hoogte soms vrijwel bewegingloos zwevende gierzwaluwen hadden gezien.

Langs deze weg ongeveer is het verhaal ontstaan dat gierzwaluwen ’s nachts vliegend slapen. Maar dit staat nog helemaal niet vast. ‘Slaap’ kan alleen met een EEG-worden geconstateerd en dat is nog niet gebeurd. ’t Kan best zijn dat de diertjes tijdelijk zonder slaap kunnen.

Luit Buurma observeerde de gierzwaluwen boven Nederland met radarapparatuur en zag ze geregeld rond middernacht plotseling van grote hoogte afdalen naar het IJsselmeer waar ze kennelijk achter insecten joegen. Niks slapen.

Jan Holmgren beschrijft in Ibis (2004) dat veel gierzwaluwen ’s nachts wel degelijk slapen: als vleermuizen hangend aan een tak tussen de bladeren. Niks vliegen.