Uit het dagboek van Jan Seesing

Dinsdag 24 april

„Om 12 uur aanvaardden wij de grote reis, vertrouwend op God, met een kilo brood, een jampotje rogge (…) Na een mars kwamen wij moei en afgemat in het dorp Brettin aan, waar wij tussen honderden vluchtelingen 20 lagergenoten vonden, die voor de komende nacht een onderdak zochten.”

Woensdag 25 april

„Om 8 uur waren wij weer uit de veren, stro bedoel ik. (…) Na een uur of wat getippeld te hebben, kwamen wij bij een dorp aan en daar werd ons de doortocht gesperd door de Volksstorm. Die vertelde ons in het gras te gaan zitten totdat er honderd man bij elkaar was. Dan zouden wij verder getransporteerd worden”

Vrijdag 27 april

„Door bossen en over de hobbeligste landwegen hebben die rotmoffen ons gevoerd, maar geen Elbe kwam in het zicht (…) In het dorp Grabow hielden wij halt. (…) Het eten en slapen beviel ons daar zo best dat wij van plan waren om daar een paar dagen te blijven.”

Woensdag 2 mei

„Een eind voorbij Burg zijn wij weer gaan zitten, en hebben ons eigen eens te goed gedaan aan brood met spek en worst, op zijn Hollands gezegd: wij hebben eens goed zitten scheuren. (…) Op een driesprong hielden wij een kwartiertje rust. Verschillende mensen kwamen voorbij die ons vertelden dat in Hohenwarthe ’t overzetten was stopgezet omdat drie knapen van de Hitlerjeugd een paar Amerikanen neergeschoten hadden. U begrijpt hoe onze stemming was. Wij waren vlak bij de Elbe en nu was het pet.” De broers horen nu dat bij Blumenthal vluchtelingen worden overgezet.

Donderdag 3 mei

Als ze bij de Elbe komen zien ze een rijnaak liggen met een witte vlag. „Al gauw hoorden wij dat Duitse officieren waren overgestoken, om te onderhandelen, waarover dat wist niemand. (…) Amerikanen verschenen aan de overkant, de Moffen kwamen terug. U begrijpt wat een kring van volk of daaromheen gevormd werd (…) Eerst zouden 1000 gewonde Duitse soldaten worden overgezet. Vervolgens Hollandse en Franse krijgsgevangenen, en dan kwamen de burgers.”

Het laden van de boot duurt eindeloos. „Op een gegeven ogenblik hoorden wij van de andere kant een vrouwenstem, die riep: ‘Hallo, hallo Hollanders, houd moed, jullie komen er ook over hoor.’ Een gekkenhuis was het, toen wij dat hoorden.” Als om zeven uur een aak terugkeert, probeert iedereen aan boord te gaan. „Er waren er zelfs bij, die hingen aan de reling.” Maar de burgers moeten er weer af. „Zo vlug als dat volk erop gegaan was, zo langzaam ging het eraf.”

Een hele groep blijft aan de Elbe, Hollanders, Fransen, Duitsers, Italianen, Polen. „Er waren er zelfs, die maakten aanstalten om die nacht slapende aan de Elbe door te brengen. Dat deden ze echt op zijn indiaans. Ze maakten een vuur en de een na de ander zou de wacht houden om dat vuur aan te houden. Overal waar je keek, welke richting ook, zag je zo’n kampvuurtje, werkelijk een imposant gezicht.” De broers roken tabak, gekregen van een deserterende Duitse soldaat in ruil voor een versleten jas en een oude broek.

Vrijdag 4 mei

Het overzetten blijkt gestaakt. De broers besluiten eten en onderdak te gaan zoeken. Onderweg vertellen hongerige Duitse soldaten dat Berlijn is gevallen en dat de Russen er spoedig zullen zijn. De broers lopen naar Hohenwarthe, waar Amerikanen zouden zijn. „De Amerikanen stonden daar ook, met meer dan 1000 vluchtelingen om zich heen. Een grote roeiboot lag aan de kant, en daar stonden ook van die gasten, druk op kauwgom kauwend, met een heerlijke cigaret tussen de lippen, die ze als ze die half opgerookt hadden, nonchalant in het water gooiden.” Maar alleen een Engelse familie mag mee. „Moedeloos pakten wij onze bagage op, en verlieten weer die vervloekte Elbe.”

Zaterdag 5 mei

„Om zes uur stonden wij, met nog wel meer dan 1000 mensen, weer aan de Elbe. Het was koud, regenachtig weer, en het zag er niet naar uit, dat het die dag op zou klaren. De boot lag aan de andere kant, en verderop stonden een paar Amerikanen op wacht.” Moedeloos keren ze terug naar het dorp waar ze horen dat ‘Iwan’, bijnaam voor Russen, het dorp was binnengerukt. „Nou ik moet U eerlijk vertellen: die Amerikanen bevielen mij ook beter, dan die oostelijke tronies.” Een Russische soldaat eist het horloge van Jan op. „Liever had ik het voor zijn poten in gruis gegooid, maar ik heb mijn leven nog veel te lief.”

Terug naar de Elbe: „Geen kip was er te zien, alleen lag er aan de kant een flinke roeiboot te dobberen. (…) Als gekken, zo hard die kunnen lopen, liepen wij naar de boot. (…)Vlug werd de ketting binnengehaald, en daar gingen wij. Ik kon wel jubelen, zo blij was ik. (…) Vijf min. hebben wij nodig gehad om de overkant te bereiken. Als eerste sprong ik aan wal (…), daar hoorde ik achter een bosje, gekraak van takken. Verschrikt keek ik om, en daar zag ik (…) een Amerikaan voor mij staan. Altijd heb ik gezegd tegen de jongen van mijn kamer in Brandenburg, zo gauw ik de eerste Amerikaan zie, zal ik hem juichend begroeten (…). Maar die kerel keek mij aan, alsof hij mij op wou vreten, en ten tweede hield hij een geweer op ons gericht, en sprak, ‘go back in the boot, terug in de boot’. Verstaan deed ik hem niet, maar begreep hem des te beter.” Ook twintig Duitse soldaten moeten mee terug. De boot zinkt bijna en drijft af. De Russen schieten. „Verschrikt gingen onze handen omhoog.” De Russische commandant zegt: jullie moeten naar huis. „Waarom moesten zij dat ieder uur van de dag zeggen? Het klonk op het laatst als een vloek in je oren. Het was toch onmogelijk.”

De buitenlanders en Duitse soldaten moeten verzamelen op een pleintje, uren wachten. „ Het was ongeveer zeven uur toen wij vier aan vier afmarcheerden. Waarheen, niemand die iets wist. Als je het aan een Rus vroeg die ons begeleidde, verstond hij je niet. Bijna drie uur hebben wij haast gelopen, toen wij eindelijk, het was al donker, in een dorp halt hielden. Honger dat wij hadden, verschrikkelijk, we konden haast niet meer op de benen staan. Wij hebben gescholden op die moffen, maar die gaven tenminste nog te vreten.” Ze komen in een soort toneelzaal met andere vluchtelingen. Er zijn ook Servische krijgsgevangenen die Duits en Russisch spreken. Kon hij geen eten regelen bij een Russische commandant? „Twee min. later zaten wij aan tafel, en deden ons te goed aan de soep zo vet als bagger met een zooitje vlees erin, en gries gekookt in melk.”

Maandag 7 mei

Ze moeten tankversperringen opruimen. En lopen. „Oostelijke richting. (…) Net als de Moffen naar Siberië. (…) Een eindeloze colonne was het van voetgangers, trekwagentjes, allerhande soort fietsen, paard en wagens.” Slapen doen ze in boerderijen. „Wij zijn ook nog in de woning gaan kijken. Sjongejonge wat hebben ze daar huisgehouden. Alles lag op en door elkaar (…) Ik heb nog verschillende gloednieuwe hand- en theedoeken meegenomen, en een grammaphoonplaat. Die avond werd er een varken geslacht, aardappelen lagen daar genoeg, dus hebben wij ons toch sinds lange tijd dik kunnen eten.”

Woensdag 9 mei

Samen met een aantal Belgen nemen de broers een koets uit de schuur. „Als je iets zag bij een Duitser, (…) het geeft niet waar, dan neem je het. (…) Als je het maar van een Mof jatte. (…) Als U eens had gezien, die koets, hoog opgeladen, zodat de veren plat lagen. Twee vlaggen stonden erbovenop. De Hollandse driekleur en de Belgische, en dan de drom mensen eromheen, die het gevaarte in beweging bracht, met stokken en touwen.” Omdat ze achter raken, pakken ze met hulp van een Russische soldaat een paard af van Polen die er drie voor hun kar hebben.

Twee dagen later komen ze in Belzig aan. „Spoedig werden alle Hollanders bij elkaar getrommeld. Ten eerste werd ons verteld, dat eergisteren, dus dinsdag 8 mei het Duitse leger gecapituleerd had, en ten tweede dat wij hier in Belzig verzameld werden voor de terugkeer naar huis. Wij schreeuwden van blijdschap, en als wij niet zo moe hadden geweest dan hadden wij nog gesprongen ook.”