Regels zijn regels, ook voor de slachtoffers

Maurice Witsema krijgt financiële compensatie voor zijn leed tijdens de oorlog. Tot zijn verbazing wil de Belastingdienst een deel van dit bedrag hebben.

Maurice Witsema was twaalf jaar oud toen hij in 1942 met zijn vader, moeder en zusje moest onderduiken. De familie Witsema was Joods en wist zich op twee onderduikadressen in Eindhoven voor de Duitse bezetter verborgen te houden, tot het zuiden van Nederland in september 1944 werd bevrijd.

De familie was de oorlog levend doorgekomen, maar Witsema voelde zich niet meer thuis in Nederland. Hij werkte jarenlang in het buitenland, onder meer in Indonesië en Israël. Uiteindelijk besloot hij zich toch weer in Noord-Brabant te vestigen. Sinds drie jaar ontvangt hij, als compensatie voor wat hij heeft meegemaakt, een uitkering via The Conference on Jewish Material Claims against Germany, de organisatie die namens slachtoffers onderhandelt met de Duitse overheid.

Aanvankelijk ging het geld dat de Duitsers ter beschikking stelden vooral naar slachtoffers uit de concentratiekampen. Later kwam de compensatie ook beschikbaar voor mensen zoals Witsema, die „gedurende minstens achttien maanden ondergedoken zaten, onder onmenselijke omstandigheden en zonder contact met de buitenwereld, in door de nazi’s bezet Europa”.

Tot zijn verbazing ontdekte Witsema dat de Nederlandse Staat van dit geld graag een deel wilde hebben. Hij ontving van de Belastingdienst een aanslag voor de betaling van premies voor volksverzekeringen. „Ik ervaar dit als een onrecht”, zegt hij. „Het getuigt van een gevoelloze regels-zijn-regelsmentaliteit.”

Witsema nam vorige maand met gemengde gevoelens kennis van de excuses die minister Klink (Welzijn, CDA) namens de regering aanbood aan Selma Engel-Wijnberg, die een verblijf in concentratiekamp Sobibor overleefde. Engel wist uit Sobibor te ontsnappen, maar dreigde na haar thuiskomst in Nederland haar staatsburgerschap te verliezen omdat ze met haar Poolse redder was getrouwd.

Klink noemde de behandeling die haar na haar terugkeer ten deel viel „onvoorstelbaar” en „ondenkbaar”. „Ik denk dat de meeste Nederlanders het met mij eens zijn, als ik zeg dat er vlak na de oorlog niet goed is omgegaan met de slachtoffers van de oorlog.”

Mooie woorden, vindt Witsema, maar de Nederlandse Staat stelt zich nog steeds te formalistisch op ten opzichte van Joodse overlevenden, gezien de eis dat zij gewoon premies betalen over de schadevergoeding die ze ontvangen van de Duitse overheid. „Ik heb daarvoor totaal geen begrip. Het is in wezen precies dezelfde houding als na de oorlog.”

Het Joods Maatschappelijk Werk ageert al langere tijd tegen het feit dat er premies worden geheven op de compensatiebetalingen, zegt directeur Hans Vuijsje. „Het geld telt ook mee bij vaststelling van het toetsingsinkomen, wat bijvoorbeeld tot gevolg kan hebben dat mensen hun huursubsidie kwijtraken.”

SP-Kamerlid Jan de Wit stelde in 2008 vragen over de kwestie aan staatssecretaris De Jager (Financiën, CDA). Die bleek niet te vermurwen. „Ik besef terdege dat uitkeringen als deze voor de mensen die ze ontvangen een bijzondere betekenis hebben”, schreef hij in zijn antwoord. „Ik kan mij dan ook voorstellen dat zij de gevolgen voor premieheffing of toeslagen als onredelijk kunnen ervaren. Maar voor de bepaling van iemands financiële draagkracht kan niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat deze uitkeringen gelijk zijn aan pensioenen of andere regelmatig terugkerende inkomensvoorzieningen.”

Vuijsje sprak eerder al met toenmalige minister van Financiën Zalm (VVD) over de premieheffing. „Hij leek me oprecht van goede wil, maar die wil was kennelijk niet voldoende om de regels aan te passen. Dat was teleurstellend.”

In reactie op vragen van deze krant zegt een voorlichter van Klink dat er nog steeds geen reden is de regels te wijzigen „ook niet sinds de minister excuses heeft aangeboden aan mevrouw Engel”. Klink zet de deur echter op een kier en zegt dat hij bereid is de materie nog eens te bestuderen.

Omdat beslissingen over premieheffingen op het terrein liggen van het ministerie van Financiën, heeft Klink donderdag tijdens de ministerraad met demissionair minister De Jager gesproken over de kwestie. „Minister Klink hoopt binnenkort meer te kunnen laten weten”, aldus zijn woordvoeder.