'Poorten open en naar mijn liefste toe!'

Na de Japanse capitulatie in augustus 1945 zaten Nederlanders vaak nog vele maanden in kampen opgesloten, omdat Indonesiërs in opstand waren gekomen. Claartje Arnold (1905-1996) schreef haar belevenissen in het babyboek van haar dochter Janny.

Adek, 28 augustus 1945, een ‘Jappenkamp’ bij Batavia. Claartje Arnold zit met haar drie kinderen in het afgescheiden Joodse gedeelte van het kamp.

„Het is Vrede. Wat er precies gebeurd is, weten we nog niet, maar op 24 augustus heeft de kampleidster, mevrouw Van Neuren, gezegd dat de strijd gestaakt was, dat we moesten wachten op het bezettingsleger en zolang kalm hier moesten blijven.

„Vanaf 15 augustus hebben we het zien aankomen. Ik lag in de achtertuin met een rustattest van de dokter, toen ineens een meisje kwam aanhollen die riep: ‘we krijgen 400 gram rijst per dag […] en ‘Flappie’ [een Japanner, red.] loopt met een spierwit gezicht rond.’ We hadden net zo’n vreselijke honger gehad. 400 gram betekende iets geweldigs. […]

„En de 20ste, maandag, zag ik ’s middags Lies Zeylemaker, die me wenkte en zei: ‘Mieke (haar dochter) was vanmiddag in de ‘tuin van Allah’ en een Indische dame buiten [het kamp, red.] riep naar binnen: de 14de is de wapenstilstand getekend tussen Amerika en Japan!’ O, dat moment […] vergeet ik nooit!

„Ik mocht het alleen aan Lien (haar zuster) zeggen, en toen ben ik naar binnen gehold om kalm te worden, want o, dat woord: Vrede, wat voor mij betekent: eigen huis, mijn lieve man.

„Maar ja, je bent nooit je eigen baas hier. Ook de kinderen zeiden direct: ‘Mam, wat is er, je huilt.’

„Die nacht sliep ik, toen de klamboe openging en Lien haar hoofd naar binnen stak en zei: Claar, het is zo, er is vrede. Ik meteen mijn bed uit. De wijk was gek gewoon. Overal groepjes pratende mensen, de doktoren zaten samen te borrelen in de bijkeuken. […] en die arme Thera Hogendam, die een week geleden haar man verloren heeft, zei alsmaar: net te laat, het is voor mij net te laat. […]

„Wanneer gaan wij eruit en waar en hoe zal ik mijn lieve man terugzien! O, dat weerzien na 42 lange maanden, wat zal dat onmetelijk heerlijk zijn! […] Geen vrouwen, geen gaarkeuken, geen wasplaats meer. […] Ik heb alsmaar visioenen, van ’s morgens vroeg op, rustig in huis lopen, alles slaapt dan nog en ik maak de havermout, chocola en koffie voor de rest. O, ik wil nu die gedek [omheining van het kamp van bamboe met prikkeldraad, red.] uit, ik wil naar huis!

„We hebben zo’n moeilijke tijd gehad […] We voelden ons met de dag aftakelen, ik kan haast niet meer. Allemaal hadden we knikkende knieën en duizelingen. Maar goddank, dat is voorbij. Geen appèl meer, niet meer dat stomme Kiotseke-kiere-naore-bacare [liedje dat voor de Jappenners moest worden gezongen, red.] […] We zijn vrij, nu nog de poorten open en naar mijn liefste toe. O geen kamp meer.”

[…]

31 augustus

„Koningin’s verjaardag echt gevierd […] Enig was het vandaag! Oranje, overal oranje. Met al die huiszoekingen en fouilleringen van de koffers, hebben de Nippen toch nooit al dat oranje gevonden. De kinderen waren zo snoezig, allemaal keurig gekleed, sommigen op klompen, anderen op blote voeten, weer anderen met echte schoenen – drie jaar lang bewaard in de koffer. Heel wat traantjes zijn gelaten, toen voor het eerst weer het ‘Wier Neerlands bloed’ klonk. Het Wilhelmus mogen we pas zingen als het officieel is.”

4 september

„Vandaag hebben we het eerste Hollandse vliegtuig boven Adek gehad! Het was een onvergetelijk moment. We hoorden als zoveel malen een vliegmachine aankomen en maar een paar gingen kijken. Ineens een ontzettend en opgewonden geroep: onze vliegmachine. We holden naar buiten en ja hoor, na bijna vier jaar die vervloekte rode ballen gezien te hebben, onderaan de vliegtuigen ineens ons rood-wit-blauw. Iedereen snikte! Het was het eerste teken van buiten, de eerste keer dat we onze jongens echt zagen! Ze vlogen heel laag, we konden ze duidelijk zien wuiven! Nu zijn er al 18 kisten neergelaten aan parachutes.

„Helaas is een parachute niet opengegaan, wat de dood hier in het kamp veroorzaakt heeft van mevrouw Maas, die de kist net op haar hoofd kreeg en op slag dood was. […] Het is een ontzettende zenuwachtige tijd! Hopen doodsberichten, afschuwelijk is dat.

„Iedereen zat daardoor in angst over haar man, maar gelukkig kreeg ik op 7 september Tofs eerste brief. Maar oh wat is hij ondervoed geweest, 60 kg, vroeger 101 kg. […] Arme kerels – er zijn er zoveel aan hongeroedeem bezweken. […]

„Vandaag zijn de hoge Amerikaanse geallieerden in ‘hotel des Indes’ aangekomen. Enig. Nu nog het grote leger, en dan – de vrijheid in! Met Toffeke!”

7 maart 1946

„Wat is alles anders gelopen dan we gedacht hadden. Nu na 7 maanden ‘vrede’ zitten we nog in kampverband, al is het dan ons eigen huis. Nog steeds ontvoeringen, moorden, vechten. Toen in aug-sept het bezettingsleger niet kwam, was het mis, en hebben de Jappen hun laatste troef gespeeld: de Indonesische bevolking ophitsen en hun wapens aan de inlanders geven. […]

„De ontmoeting was natuurlijk heel anders dan je je voorgesteld had. Op 3 oktober liet Willy ’s morgens pisangschillen op m’n hok liggen. Ik ga woedend naar buiten met de schillen in mijn hand, hard om Willy brullend, en stond ineens tegenover Tof, die net zo wit zag als ik. Ik kan niet beschrijven wat ik voelde toen ik opeens dat gezicht terugzag, waar ik zo vreselijk naar verlangd heb al die tijd. Janny herkende hem direct, Rink zei: ‘o, dat is die mijnheer van het portret’ en Willy zei: ‘wie is die mijnheer, mam’, waarop ik ze beleefd aan elkaar voorstelde!!

„En nu pappie weet wat die drieënhalf jaar betekend hebben met de kinderen, word ik zalig verwend. Als ik ’s morgens opsta, is de koffie voor ons en de chocola voor de kinderen al klaar. Pappie is veel strenger dan ik, maar dat is maar goed ook.”

Niet alleen de uitgestelde vrijheid is een bittere teleurstelling voor de familie Arnold. Intussen zijn ook berichten uit Europa binnengedruppeld. De ouders van Claartje zijn als Joden weggevoerd en niet teruggekeerd uit de concentratiekampen.

„Wat erg dat jullie die lieve opa en oma nooit meer zullen zien. Die hebben de Moffen vermoord, de beesten!”