Platte politiek

Wanneer ben je een echte organisatieadviseur? Als je de verhaallijnen van Oorlog en vrede in een 2-bij-2-matrix wilt persen.

Het is een flauwe opmerking, maar er zit wel een kern van waarheid in. Waar bijna de gehele mensheid de wereld langs één richting bekijkt—goed of fout, vóór of tegen, Beatles of Stones, katten of honden—onderscheidt de organisatieadviseur, als tweeoog in het land der eenogen, zich met de gave om tegelijkertijd twee verschillende aspecten te kunnen zien.

Dit is geen geringe prestatie. Het is misschien slecht nieuws voor romanschrijvers, maar in testen waarbij de persoonlijkheid van individuen moest worden vastgesteld op grond van een lange lijst bijvoeglijke naamwoorden (somber, geïrriteerd, kalm, enthousiast, moe, gespannen, sloom, etc.), blijkt het voor de meeste mensen moeilijk om meer dan twee onafhankelijke kwaliteiten te onderscheiden. Zo kan in de psychologie veel worden teruggevoerd tot de oerdimensies introvert/extrovert en stabiel/instabiel. De vier typen die zo ontstaan passen trouwens goed bij de vier lichaamsappen of humeuren van de Oudheid. De combinatie van introvert en instabiel geeft bijvoorbeeld zwartgallig. Zo bezien gaat de 2-bij-2-matrix van de organisatieadviseur verder terug dan gedacht.

Ook in de politiek is het een grote stap van één naar twee aspecten. Dat de politiek überhaupt werkt is een wonder waar ik me iedere dag over verbaas. Het aantal belangrijke onderwerpen waarover je als politicus een standpunt wordt geacht in te nemen is groot en divers: bezuinigingen, Afghanistan, kernenergie, winkeltijden, hoofddoekjes, rekeningrijden, enzovoorts en zo verder. Uiteindelijk geldt voor alles: je bent er vóór of je bent er tegen. Géén mening is geen optie. Net als een rechter en een generaal moet een politicus knopen doorhakken. Zoals president George W. Bush zei: “I am the decider.”

Het is a priori niet duidelijk dat al die verschillende standpunten iets met elkaar te maken hebben. Stel je wilt flink bezuinigen en weg uit Afghanistan. Ben je dan vóór of tegen kernenergie? Wie kan me uitleggen hoe dat laatste standpunt logisch uit de eerste twee zou moeten volgen? Volgens welke formule bereken ik de maximumsnelheid of het aantal publieke televisienetten uit het btw-tarief en de minimumleeftijd voor alcoholgebruik?

Een ding is zeker: het is niet erg efficiënt als bij iedere nieuwe vraag alle bestaande politieke partijen zich in tweeën zouden splitsen, in een vleugel die vóór is en een die tegen is. Stel er zijn in totaal 24 van die grote onderwerpen (24 is gewoon een mooi getal en helemaal niet veel voor een periode van vier jaar). En stel verder dat iedere partij bij elk van die 24 vragen verplicht kleur moet bekennen. Het antwoord is altijd ja of nee; onduidelijke tussenposities worden niet getolereerd. Dan geeft die verdeling al een politiek spectrum van 2 tot de macht 24 mogelijkheden. Dat zijn zo’n 16 miljoen verschillende partijen, meer dan er kiesgerechtigden in Nederland zijn. Heerlijk, iedereen z’n eigen partij, zult u zeggen. We zijn toch al allemaal lijsttrekker in het diepst van onze gedachten. Maar welke van deze partijen komt over de kiesdrempel?

Nu is het hele idee van de politiek dat we het met veel minder dan 16 miljoen partijen kunnen stellen. Want er loopt een rode (of blauwe of groene) draad door al die standpunten, een overkoepelende ideologie of levensbeschouwing, waaruit alle antwoorden volgen, niet alleen op mijn hypothetische 24 Grote Vragen, maar op alle huidige en toekomstige vragen.

Wat is dan wél een redelijk aantal partijen? In de meeste landen zijn dat er minstens twee: links en rechts, welbekend vanaf de dagen van de Franse revolutie. Typische punten die deze keuze bepalen zijn de herverdeling van inkomens door de overheid, de omgang van grote bedrijven met hun werknemers, de rechtsongelijkheid tussen arm en rijk.

Maar er is meer in het leven dan links en rechts. Zoals las ik laatst in een interview met de econoom, columnist en Nobelprijswinnaar Paul Krugman dat hij eerst niet zo in politiek geïnteresseerd was, omdat hij niet dacht in termen van links en rechts, maar van dom en slim. Een typische domme opmerking van een slimme academicus.

Van mijn vrienden in de politicologie leer ik dat een gebruikelijker tweede dimensie het onderscheid tussen autoritair en liberaal is. Vraagt de samenleving om een sterk centraal gezag of overweegt de persoonlijke vrijheid van de burger? Meestal wordt deze richting verticaal weergegeven. Helemaal bovenaan staat dan Big Brother, die zelfs controleert hoeveel minuten je je tanden poetst; helemaal onderaan vind je de totale anarchie van de jungle.

Typische uitspraken waarmee je iemands positie in deze richting bepaalt zijn: jongeren hebben geen respect (meer) voor normen en waarden; scholen en docenten moeten weer gezag krijgen; burgers kunnen heel goed zelf bepalen wat ze lezen of zien. Deze verticale as zou je vrijheid kunnen noemen, zoals de horizontale as voor gelijkheid staat. (Broederschap, de laatste van de revolutionaire trits Liberté, Égalité, Fraternité, lijkt niet goed te onderscheiden van de eerste twee, of is in de diepste zin politiek gratuit.)

Op deze manier persen we ook de politiek in de handzame 2-bij-2 matrix van de consultant. Om wat richtingsgevoel te krijgen eerst de extremen. Hoog in de linkerbovenhoek vinden we Stalin, Mao en ’s werelds enige overgebleven stalinist Kim Jong-il. In de rechterbovenhoek staan Hitler, Franco, Pinochet en andere rechtse dictators. De onderhoeken zijn per definitie minder gemakkelijk met één persoon te associëren. Rechtsonder zou ik in ieder geval het cowboykapitalisme plaatsen en linksonder de kraakbeweging.

De Nederlandse politieke partijen zijn gemakkelijk in de matrix terug te vinden. Linksonder GroenLinks en iets daarboven de PvdA. Als we aan de liberale, “paarse” onderkant blijven: middenonder D66 en rechtsonder de VVD. Het CDA zou ik iets boven het midden situeren. Men hecht daar zeker aan een hoger gezag, alleen is het niet altijd de overheid. De linkerbovenhoek is in ons land nooit sterk bezet geweest, maar daar zit nu stevig de SP, een partij waar op alle fronten de roep om centrale sturing klinkt. Rechtsboven was tot voor de komst van Pim Fortuyn en de PVV een grotendeels onbewoond kwadrant in de Nederlandse politiek.

In het platte vlak zijn sommige politieke bewegingen gemakkelijker te interpreteren dan langs de enkele as van links en rechts. Zo wordt de vaak gehoorde opmerking dat extreemlinks en extreemrechts elkaar zo verrassend raken (les extrêmes se touchent) minder verrassend. Een stem die beweegt van SP naar PVV gaat van het vakje linksboven naar het vakje rechtsboven. Dat is een even grote stap als het pad van rechtsonder naar rechtsboven dat Geert Wilders aflegde toen hij de VVD verliet. De echte antipoden zijn Wilders en Femke Halsema.

De 2-bij-2-matrix werkt ook goed buiten de landsgrenzen. De ontwikkeling in China van een centraal aangestuurde communistische staat (linksboven) naar een centraal aangestuurde kapitalistische staat (rechtsboven) is lang niet zo’n grote stap voorwaarts. De Tea Party van Sarah Palin die nu in Amerikaanse rechtse kringen zo’n opgang doet is typisch een verschijnsel dat rechtsonder geplaatst moet worden, oerconservatief maar fel tegen iedere vorm van big government en een reactie op de drift van de Republikeinse Partij onder Bush naar rechtsboven.

Soms verschuiven de kiezers massaal naar een kwadrant dat voor kort bijna leeg was. Zo nam in 2006 de SP de linkerbovenhoek in bezit en zal dit jaar met de PVV de rechterbovenhoek flink winnen. De kiezer heet dan te zweven of de weg kwijt te zijn. Maar bij mij komt een ander beeld naar boven: dat van een schuifpuzzeltje, u weet wel, een in vierkantjes gezaagd plaatje waarvan de onderdelen in de goede volgorde geschoven moeten worden. Zo’n puzzeltje werkt alleen omdat er altijd één vakje leeg blijft.