'Overheidsgeld moet je nooit aan rechts overlaten'

Kees Vendrik is het levende bewijs dat linkse mensen wél kunnen rekenen. Aan de vooravond van de verkiezingen stopt de financiële man van GroenLinks. ‘Je moet offensief zijn.’

Als 18-jarige student stapte Kees Vendrik op de fiets om naar de Piersonrellen te gaan. Net als veel andere jongeren in Nijmegen maakte hij zich in 1981 druk om de plannen voor een parkeergarage. Kraakpanden moesten daarvoor wijken. Maar Kees Vendrik kwam nooit ter plekke. Hij raakte met zijn trapper in het wiel van zijn vriendinnetje. Gevolg: een smak op het wegdek en een geknakte vinger. In de wachtkamer van de eerste hulp zat een imposante ME’er, met een bult op zijn enkel. „Hij had een dreigende snor en een wapenstok. Hij zag dat ik van het andere kamp was. Toen ben ik maar in de andere hoek gaan zitten. Ik heb daar een uur stilletjes gezeten.”

Het GroenLinks-Kamerlid Kees Vendrik zit aan de eettafel in zijn woning in Amsterdam-Noord. Als naar zijn militante verleden wordt gevraagd, moet zijn vrouw, Natasja van den Berg, hard lachen. „Kees is zo’n braaf jongetje, we hebben geen werkster omdat we geen witte werkster konden vinden.”

Kees Vendrik ís Groenlinks, zei partijleider Femke Halsema twee weken terug op het partijcongres. „Het levende bewijs dat linkse mensen kunnen rekenen, dat ze de pot niet verteren.” Talloze opvattingen van GroenLinks, zei Halsema, komen uit dat „geweldige brein van je”.

Kees Vendrik verlaat na twaalf jaar de Tweede Kamer. De financieel specialist van GroenLinks bouwde groot gezag op, binnen en buiten zijn partij, binnen en buiten het parlement. Hem wordt kennis van zaken toegedicht, retorische gaven, doorzettingsvermogen om zaken te doorgronden. Hij was een van de weinige Kamerleden die ver voor de kredietcrisis vraagtekens plaatsten bij de opkomst van derivaten, de kwaliteit van het toezicht en de stabiliteit van het systeem. En hij was de enige zittende parlementariër die in het openbaar door de commissie-De Wit, die de kredietcrisis onderzoekt, gehoord werd. Niet alleen als volksvertegenwoordiger, vooral als expert.

Toen hij twaalf jaar geleden het parlement betrad, had hij bescheiden verwachtingen. En bij zijn vertrek geldt dat nog steeds. Hij noemt zich een „vrij constant jongetje” en het Kamerlidmaatschap een „permanente oefening in nederigheid”.

Als je op voorhand je invloed zo relativeert, kun je dan wel een goed Kamerlid zijn?

„Met te hoge verwachtingen word je ongelukkig, maar het is belangrijk dat in een democratie ook de oppositie spreekt. Je moet offensief zijn. Toen Paul Rosenmöller mij in 1998 vroeg, zat daar een missie bij: zorg dat wij het been financieel bijtrekken, dat wij serieus genomen worden. Als voorbereiding voor een moment dat GroenLinks tot de macht toetreedt. Dat maakte mijn functie extra dienend: ik moest zorgen dat de defensie op orde was.”

Had GroenLinks te weinig aandacht voor financiën?

„Ja, dat verbaasde mij al jaren in debatten binnen links. Sound finance? Dan zat er een steekje bij je los. Dat is vreemd. Niemand was zuiniger op de publieke portemonnee dan de socialisten van honderd jaar geleden. Dat waren mannen die elk dubbeltje omdraaiden, omdat ze wisten dat het om belastinggeld van de arbeiders ging. Die traditie is ergens kwijtgeraakt. Als een verzorgingsstaat in crisis is, moet je nadenken over structurele hervormingen. Dan moet je niet kaal bezuinigen, maar hervormen. Dat is cruciaal nu er 29 miljard bezuinigd moet worden.”

Hij klopt op tafel.

„Financiën is een ongelooflijk belangrijk onderdeel van je politieke verhaal. Hoe moet je links bezuinigen? Je moet diep de publieke financiën induiken om boven water te krijgen: waar zitten de geldstromen en aan welk probleem wordt dat geld besteed? Dit mogen we nooit aan rechts overlaten, dat zeg ik ook tegen de PvdA. Als rechts de ruimte krijgt dan weet je wat je krijgt. Kom met je eigen oplossingen. Natuurlijk zullen die af en toe pijn doen. Ik zie dat als strijd binnen de progressieve familie. De SP vindt dat ingewikkeld, delen binnen de PvdA vinden dat ingewikkeld. De crisis komt van rechts, de oplossingen komen deze keer echt van links. De komende verkiezingen gaan er echt om.”

En dan gaat u weg?

„In 2006 heb ik gezegd dat dit mijn laatste periode werd. In 1998 heb ik geprofiteerd van mensen die plaatsmaakten voor anderen. Nu is het mijn verantwoordelijkheid om dat ook te doen.”

Dat doet Halsema niet. Die zit er net zo lang.

„Femke is buitencategorie.”

Heeft u de ambitie gehad partijleider te worden?

„Ik heb er ooit over nagedacht maar daar al vrij snel korte metten mee gemaakt. Ik ben geen mediapersoonlijkheid en leg het wat dat betreft zeker af tegen Femke. Toen Rosenmöller in 2002 zijn vertrek aankondigde, heb ik even gejankt. Maar het was overduidelijk: als Femke wilde, moest zij het worden.”

Waarom bent u geen mediapersoonlijkheid?

„Dat merk ik. Ik ben meer een krantenpoliticus.”

Waar zit dat in?

„Dat is een vraag die ik me vaak gesteld heb. Zeker toen ik op plek twee stond in 2006. Ik vond dat ik wat meer punten moest binnenhalen voor de partij.” Dan, zoekend naar woorden: „Beeldende media zijn niet dol op financiële woordvoerders. Zelfs in de crisis niet. Het kwam wel voor dat ze interesse hadden in iemand van GroenLinks. Maar dan wilden ze gewoon de politieke leider, Femke dus, in het programma. Punt. Voor onze club heb ik het wel lastig gevonden. Eigenlijk had ik meer zichtbaar moeten zijn. Het geheim heb ik niet achterhaald. Ik heb het ook wel eens nagevraagd bij journalisten van audiovisuele media. De camera moet van je houden, en dat is bij mij niet zo.”

GroenLinks is onder uw hoede serieuzer geworden met de financiële onderbouwing. Is uw partij ook rechtser geworden?

„Nee, we zijn waanzinnig constant. Een voorbeeld. Het ontslagrecht willen wij moderniseren. Al langer. Is dat rechts? Het is rechts als je het houdt hoe het nu is. Het beschermt je niet tegen ontslag, maar je krijgt een gouden handdruk. Het is alleen nazorg. Wie heeft er het grootste baat bij? Dat is niet Jan Modaal. Dat zijn de werknemers aan de top. Die krijgen de gouden handdrukken. Daar zit de advocatenindustrie op. Is dat beschermwaardig voor links? We moeten iets aan de enorme tweedeling doen op de arbeidsmarkt: de gefortuneerde werknemers versus het contingent van 1 miljoen werknemers die geen enkel recht hebben. Flexwerkers en de zelfstandigen. Die hebben geen pensioen, geen ontslagbescherming, geen ontslagvergoeding, geen sectorfonds voor scholing. Gewoon nul. Die krijgen nu de klappen van de crisis. Flexwerkers zijn niet in beeld van de overheid. Pas als ze in de bijstand belanden. Dat zou ook een probleem voor de PvdA moeten zijn. We moeten een nieuwe arbeidsmarkt maken, met een modern ontslagrecht, kortere WW en meer geld voor scholing, ook voor flexwerkers en zelfstandigen. Dat is progressief denken.”

„Is het niet frustrerend om altijd in de oppositie te zitten met een kleine partij? Het maakt vaak niet uit wat GroenLinks vindt?

„Ik geloof in historische rechtvaardigheid. Toen ik in 1999 een voorstel deed om de hypotheekrenteaftrek aan te pakken werd dat op het journaal ingeleid door Pia Dijkstra als: dit taboe doorbreken staat gelijk aan politieke zelfmoord. Nu, elf jaar later, is het omgekeerde waar. Nu moeten de partijen zich verdedigen die hier niets van willen weten.”

En net nu er momentum lijkt te ontstaan voor voorstellen waar GroenLinks al langer voor pleit, met dank aan de economische crisis, gaat Kees Vendrik weg. Aan een boek werken, aan zijn huis klussen en voor zijn zoon Samuel (3) en zijn dochter uit een eerdere relatie, Lisa (14), zorgen.

GroenLinks in de regering. Na de verkiezingen zou het zomaar kunnen. Kees Vendrik in het kabinet, dat is geen onlogische gedachte?

„Ik ben daar heel aarzelend over.”

Hij gaat zachter praten.

„Dat heeft alles te maken met wat er afgelopen jaar in mijn leven is gebeurd. Het gaat op zichzelf helemaal niet slecht, maar mijn conditie is verslechterd. Ik moet op adem komen. De dood van onze kleine jongen is heel ingrijpend geweest. Dat zuigt nog elke dag alle energie uit me die ik ’s ochtends heb. Ik ben niet in topconditie en dan moet je zo’n topbaan ook niet doen.”

Tijdens het eerste gesprek, in het Kamergebouw, met het Torentje op de achtergrond, brengt hij het zelf aan de orde: de dood van hun zeven maanden oude zoontje Lucas. Plotseling, in een nacht in april 2009, hield hij op met leven. „Die Duitse keeper snap ik zo goed”, zegt hij na een korte stilte. Die Duitse keeper is Robert Enke die vorig jaar zelfmoord pleegde. Hij had zijn 2-jarige dochtertje verloren. „Het gekke is: ik ben er altijd rustig onder gebleven. Ik kan me voorstellen dat hij dat besluit ook rustig genomen heeft. Dat je niet kan verdragen dat je vaderschap geschonden is. Je enige keuze van nabijheid is om hem achterna te gaan. Het is een wonderlijk soort rust dat dat kan brengen. Ik heb gemerkt dat je een besluit moet nemen nadat je je kleintje kwijt bent: daar ga ik níét achteraan. Ik ga door met leven. De laatste paar maanden voel ik me vrij vrolijk. Maar je raakt veel energie kwijt en weet niet waaraan.”

Het tweede gesprek is bij Vendrik thuis in Amsterdam-Noord. Met zijn vriendin Natasja – kandidaat-Kamerlid van GroenLinks, sinds het congres op plaats 13 – en zoon Samuel ook in de woonkamer. Het is een huis met gebreken, zegt Vendrik. Daardoor konden ze het kopen. In het huis, circa dertig jaar oud, zijn gipsen plafonds aangebracht met neoklassieke ornamenten, sierlijsten en rozetten. Een van de vorige bewoners was een crimineel. Die hield daarvan. Daarna woonde er een dominee. Vendriks vriendin wil de neoklassieke versieringen weghebben. Hij twijfelt nog.

Bij het eerste gesprek had hij nauwelijks tijd. Hij was druk met de besprekingen met het Centraal Planbureau over de doorrekening van het GroenLinks-programma, een ingewikkeld financieel spel dat in de campagne van grote betekenis kan worden. Het tweede gesprek is Vendrik meer uitgerust, en feller ook. Met name over de Tweede Kamer.

We hadden het vorige week over frustraties van het Kamerlidmaatschap. Is dit vak wel aantrekkelijk?

„Ik heb het nooit als werk beschouwd. Het ging bij mij altijd door, mentaal in ieder geval. Het kostte mij – als er dan een zomervakantie was aangebroken – behoorlijk wat moeite en tijd om te landen in het andere deel van het bestaan. Maar dat is een manier van leven die mij erg aanstaat. Ik ben niet van een strikte scheiding van werk en privé. Het loopt vloeiend in elkaar over. Zeker met een vriendin die ook bij GroenLinks zit. Het is onderdeel van onze liefde. We zijn heel verschillend maar delen een aantal passies: politiek, engagement met de wereld. Dat is wel een zegen, dat vind ik heerlijk, dat dat gedeeld is.”

Is het werk van Kamerleden niet te specialistisch? Zo is het toezicht op banken complex en technisch. Mag je daarover van de Tweede Kamer zinvolle bijdragen verwachten?

„Ja. Het is niet zo dat Kamerleden per se specialisten moeten zijn. Je mag wel van fracties verwachten dat ze hun ondersteuning en input organiseren en dat ze capabel zijn. Neem Bazel II, een nieuwe richtlijn voor de kapitaalbuffers van banken. Er werd jarenlang door experts over onderhandeld. Daarna zou het via een Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving worden opgenomen. Dat was absurd, ik vond dat daar een politiek mandaat ontbrak. Collega’s snapten wel: dat is een beetje gek, maar ja, het is natuurlijk allemaal technisch. (Vendrik lacht spottend.) Het gaat over de stabiliteit van het stelsel. Er is een publiek belang mee gemoeid van kolossale omvang. Dat heeft de kredietcrisis wel bewezen.”

Hier schetst u toch een lacune in de democratie, dat het parlement dit niet overziet?

„Dat is wel gek. We waren gewaarschuwd. De Aziëcrisis maakte op gruwelijke manier duidelijk wat voor ravage financiële markten kunnen aanrichten. Markten ontsporen, kuddegedrag, ze functioneren niet rationeel. Na het Verdrag van Maastricht in 1992 klopten politici zichzelf op de borst: ‘Wij komen niet aan het monetaire beleid. Dat laten we aan deskundigen over.’ Dat heb ik altijd een bizarre vorm van zelfhaat gevonden. Nationale banken kunnen gruwelijk miskleunen. Het is raar dat in een democratie, met principes van verantwoording, openbaarheid, macht en tegenmacht, de politiek ineens met de handen in de lucht gaat staan. Dit had ook nul belangstelling in de media. Als ik dan mijn schaarse tijd moest verdelen, dan kreeg ik wel eens vragen van collega’s. Ga je nu weer naar een debat waar niemand oplet, wat nooit media oplevert?”

En dan liet u het lopen?

„Soms. Achteraf denk ik wel eens: shit! Ik had mijn intuïtie moeten vertrouwen. Ik had elke keer weer tegen die collega’s moeten zeggen: jongens, er is iets aan de hand. Wij moeten het hebben over wat er op de financiële markten gebeurt, met derivatenhandel, valutaspeculatie. Ik had nog veel meer herrie moeten maken.”

Schort het aan kennis in de Tweede Kamer?

„Dat is niet het probleem. Uiteindelijk gaat het om politieke moed. Doorbijten is wat anders dan een gebrek aan kennis. Als je ziet wat voor geëmmer het heeft gekost om de kredietcommissie van De Wit in te stellen. In oktober 2008 had je al kunnen zeggen: dit is echt een nachtmerrie, hier is ontzettend veel fout gegaan. Dat deden bijna alle parlementen in het buitenland. Maar nee, wij gaan er acht maanden over doen om een onderzoek in te stellen, niet eens een parlementaire enquête. Dat is gebrek aan politiek zelfbewustzijn van het parlement.”

Hoe moet dit worden verbeterd?

„Het heeft echt te maken met die monistische verhoudingen. Dat elke keer coalitiefracties denken: ‘Oh, daar heb je die Vendrik weer. Daar beginnen we niet aan want dat leidt alleen maar tot gedoe.’ Jongens, zeg ik dan: het parlement is uitgevonden om gedoe te veroorzaken. Dat is het wezen van de democratie. Maar dat kan niet, want dat beschadigt onze partijleiders in het kabinet. Dat soort motieven. Dat kan je nooit helemaal uitschakelen met coalitiekabinetten, maar het zou al de helft schelen als we gewoon afspreken: politieke leiders in de Kamer. Nu was de reflex: we gaan de minister van Financiën niet meteen onderzoeken. We gaan niet tijdens de brand de brandweerman in de weg lopen. Zo praat het parlement over zichzelf: in de weg lopen.”

Vendrik grinnikt bozig.

„Het is je geraden dat je in de weg gaat lopen! Het is je taak! Het zelfbewustzijn van het parlement kan zo klein zijn. Bij de overname van ABN Amro, of bij het aandelenleasedrama met Dexia. Dat ging om 400.000 Nederlanders die erin gestonken zijn. Dan wordt gezegd: de politiek heeft hierin geen rol.”

Waar pleit u nu voor?

„Politieke moed. Als je je rol als volksvertegenwoordiger waar wilt maken, dan trek je je niets aan van dit soort grenzen. Dan organiseer je het debat dat maatschappelijk speelt. Dat is mijn grote frustratie geweest in de afgelopen jaren. De Kamer verzaakt zijn rol regelmatig. En dat heeft vaak te maken met die funeste coalitieverhoudingen.”

Je gaat toch altijd moeilijke zaken vooraf afstemmen? Dat zou GroenLinks ook doen.

„Dat zou niet moeten. Iedereen doet zo moeilijk over conflicten. Democratie is de vreedzame organisatie van het conflict. We zijn het erover eens dat we het over veel dingen niet eens zijn. En op een of andere manier denken we bij iedere politieke strijd: oh, het kabinet valt. Partijen zitten met zichzelf in de knoop. Als die voor hun punt uitkomen dan beschadigen ze het kabinet en daar zit hun politieke leider in. Het Irak-onderzoek, waarvan in de formatie in 2007 werd afgesproken dat dat er niet mocht komen, is het ultieme bewijs. Hoe kan het dat je zo je meest fundamentele parlementaire recht weggeeft?”

Kunt u zonder het Kamerwerk, met een privéleven dat overloopt in het politieke leven?

„Ik ga het wel zien. We zien er allebei ook wel een beetje tegenop. Misschien komt Natasja in de Tweede Kamer. Ik wil haar alle ruimte geven. En ik hou mezelf de wijsheid voor dat het verstandig is wat ik doe. We hebben een afspraak dat we nog een keer in Afrika gaan wonen. Met Samuel, als Lisa 18 jaar is. Waar in Afrika? In ieder geval donker Afrika. Natasja is fan van Mali. Mijn oude stiel is internationale, economische betrekkingen. Als je alles afpelt, en je vraagt je af waar politiek ertoe doet, dan is het wel daar, in Afrika. Ik heb een keer dat fantastische verhaal gelezen over die Nederlander die onderminister van Financiën werd in Malawi. Hij had een oude Landrover, en ging met een pot met geld het land door, en controleerde zelf of het geld goed besteed werd. Zo’n man is goud waard.”

Kees Vendrik wil dus minister van Financiën worden, van Mali?

Hij lacht. „Ik zie de zin ervan in.”