Oranje hoedje in de jus

Vijfenzestig jaar na de Bevrijding zijn ooggetuigen-verhalen vaak de verhalen van kinderen. Zij herinneren zich klein leed en grote teleurstellingen.

Prinsesjes

De Rotterdamse Toos Buijk brengt het laatste deel van de Hongerwinter door bij kennissen in Epe, waar ze de Bevrijding meemaakt. In het dorp kreeg ze les en kwam dan langs een vlakte met Canadese voertuigen: „En op de hoek van dat terrein, stond DE boom. Op die boom was een briefje bevestigd. Een briefje van de PRINSESJES! Beatrix en Irene hadden zelf hun naam erop gezet, maar Margriet had getekend met een kruisje. Dat het briefje slechts een afdruk van het echte briefje was, drong niet tot me door en deerde ook niet. Een briefje waarin ze schreven dat ze gauw weer in Nederland hoopten te zijn. Een briefje dat ook voor mij bestemd was en dat ik zelf lezen kon. Ik weet nog dat ik allerlei smoezen verzon om maar zoveel mogelijk langs die plek te komen om weer een glimp van het briefje op te kunnen vangen.”

Rupswielen

Hans van der Horst (1941) woonde in Amsterdam: „Op een van die meidagen was er buiten aanhoudend lawaai. Het moest wel de langverwachte feestvreugde zijn. Ik mocht met mijn ouders mee. Bij het Concertgebouw stonden veel mensen te kijken naar de voorbijtrekkende, ratelende tanks. Het asfalt had veel te verduren gehad en was broos geworden. Het schoof achter de rupswielen in langgerekte brokstukken loodrecht omhoog en viel daarna weer met doffe klappen neer. Ik zie het nog altijd voor me wanneer ik langs het Concertgebouw loop of er binnenga.”

Crêpepapier

Rond Deventer wordt in april 1945 hevig gevochten, maar de Bevrijding is nabij. „We hadden de oranje versierselen al in de kamer liggen”, herinnert J. Berings (1939) zich. „Ik kreeg vast een oranje crêpepapieren hoedje dat ik aan niemand mocht laten zien. Maar achter geblindeerde ramen mocht ik het wel even ‘passen’. Vol trots zat ik aan tafel en toen ... viel mijn hoedje in een pan met jus! Ik weet niet meer of ik op mijn donder kreeg of getroost werd. In ieder geval liep ik de volgende morgen met een vet oranje hoedje op straat. Ik was blij en een beetje verlegen.”

Radiotoestellen

Willem van den Berg (1934) woonde op een boerderij in Rijswijk. Op de hooizolder boven de zolder had zijn vader onderduikers verstopt. Maar ook talloze radiotoestellen die door kennissen en onbekenden uit Den Haag waren gebracht. Op Bevrijdingsdag kwamen de eigenaren ze halen: ,,Mijn vader klom de hooiberg in en sneed met een hooisteek – een vlijmscherp mes van bijna een meter – door de lagen hooi tot bij de radio’s. Eén voor één kwamen ze te voorschijn, glanzend nog. Ik stond erbij en keek ernaar. Een rasechte Hagenaar inspecteerde zorgvuldig zijn toestel en ik hoorde hem zeggen: ‘Verdomme, er zit een kras op’. Hij liep weg zonder mijn vader ook maar aan te kijken.”

Bedorven wijn

„Ineens is de oorlog voorbij”, schrijft Hanny Hazelaar-Scheeper die in Rotterdam woonde. Moeder heeft de hele oorlog een fles wijn bewaard voor dit moment. „Ik heb nog nooit wijn geproefd. We staan in een kring met een glas in onze hand. Mijn vader schenkt de wijn voorzichtig in elk glas. ‘We drinken op de vrede’, zegt mijn vader. ‘Op de vrede’, roepen we. Ik neem een grote slok want het ziet er lekker uit. Maar het smaakt scherp en zuur en mijn vader roept: ‘Je kan wel proeven dat die wijn van voor de oorlog is, want hij is bedorven.’ Vlug zet ik mijn glas neer, ik word misselijk. Ik kan het niet meer binnen-houden en spuug alles eruit, zomaar op het vloerkleed.” Moeder troost Hanny, tante gaat de vloer boenen en vader zet de ramen wijd open. Dan horen ze mensen buiten zingen en schreeuwen. Iedereen rent naar buiten, alleen Hanny blijft achter op schoot van haar moeder. Buiten zien ze het verduisteringspapier in vlammen opgaan.

Verzetsheld

Veel oorlogskinderen herinneren zich de eerste Koninginnedag op 31 augustus 1945 als bevrijdingsfeest. Zo ook Carel Crone. In Den Haag zou een corso komen, een optocht met praalwagens. Met vrienden bedenken de ouders van Carel dat hun kinderen in een wagen ‘Het Verzet’ zullen uitbeelden. „Het meisje zou met haar fietsje koerierster zijn. Maar mijn vriend Peter en ik zouden gekleed gaan in het uniform van de Binnenlandse Strijdkrachten: een blauwe overall met een oranje armband. Nog veel belangrijker was dat wij beiden een kleine stengun om onze nek zouden dragen. Ik kon nauwelijks wachten. Wat de reden was, heb ik nooit geweten. Ik heb geprotesteerd, gehuild, met deuren geslagen, lelijke woorden gezegd, maar het hielp niet. Op Koninginnedag 1945 was ik verkleed, niet als verzetsheld, maar – oh schande – als KABOUTER van Sneeuwwitje.”

Tentoonstelling van KB en Nationaal Archief: In: De Verdieping van Nederland, Den Haag. Zie deverdiepingvannederland.nl