Op de vlucht voor 'Iwan'

Jan Seesing (1921) werkt als dwangarbeider in Brandenburg. Als Duitsland ineenstort en de Russen komen, zet hij het op een lopen. Over de Elbe, is het plan, en dan ‘naar huis, naar huis’.

Het was tijdens een demonstratiereis voor kussens en matrassen, vele jaren na de oorlog. Toen zag Jan Seesing vanuit de bus ineens ‘Brandenburg’ op een bord staan. De plek waar hij en twee broers een groot deel van de oorlog als dwangarbeiders in fabrieken hadden gewerkt. Het was het lot van enkele honderdduizenden Nederlandse mannen. Seesing had er al slecht van geslapen dat hij weer naar Duitsland ging en is ook niet gaan kijken. „Ik wilde dat hoofdstuk het liefst afsluiten.”

Niet dat Seesing zo slecht werd behandeld. „Maar we zaten er onder dwang.” En de bloedstollende vlucht van de broers in april 1945 voor de oprukkende Russen zal hij niet gauw vergeten. Ze zaten middenin het ineenstortende Duitsland. „Eén grote chaos en heel beangstigend. Wij dachten maar één ding: naar huis, naar huis!”

In 1943 was Jan Seesing samen met broer Nol van station Delftspoor in Rotterdam op de trein gezet. Via Hamburg naar Brandenburg an der Havel. Kort tevoren hadden ze een oproep gekregen voor de Arbeitseinsatz. Onderduiken kwam niet bij hen op. „Een andere broer, Kees, zat daar al. Wat zouden ze met hem doen als we weigerden?”

Jan moest werken in een fietsfabriek, waar ook mitrailleuronderdelen werden gemaakt. Later werd hij naar Polen gestuurd om tankvallen te graven tegen de Russen. Omdat hij brood kon bakken, mocht hij daar in een bakkerij werken. Ook terug in Brandenburg bakte hij brood, voor het leger. Dat was een gelukje, want zo kon hij af en toe iets achteroverdrukken voor hem en zijn broers. Ze woonden met zestien man in een barak met stapelbedden en kregen koolsoep te eten. „Alleen kool, zonder vet”, zegt Seesing. „Wij zouden er een moord voor hebben gedaan”, zegt zijn vrouw die in Rotterdam de Hongerwinter meemaakte: „Toen hij terugkwam, verwachtte ik een mager mannetje te zien, maar het was een dikke vent.”

Jan Seesing mocht zelfs een keer twee weken met verlof naar Wenen, waar een vierde broer te werk was gesteld in een vliegtuigfabriek. Ze bezochten er de kermis op het Prater.

In Brandenburg werd de toestand wel steeds slechter. „Je merkte dat de oorlog aan het aflopen was. Duitse soldaten probeerden te drossen, hun uniformen te verwisselen voor burgerkleding en weg te komen. Alleen de Hitlerjugend liep nog te schieten.” Er was grote angst voor de Russen: „Ze zouden wel wraak willen nemen. Want we hoorden dat de Duitsers in Rusland verschrikkelijke dingen hadden gedaan. En dat klopte. Ik heb Duitse vrouwen later horen gillen terwijl ze verkracht werden door Russische soldaten.”

Op de ochtend van 24 april 1945 ging het alarm af. „Niet dat golvende geloei als waarschuwing voor bombardementen, maar een lange toon die werd gebruikt als het gevaar over was. Ik dacht: nu wegwezen.” Jan en zijn broers Nol en Kees pakten hun belangrijkste spullen en gingen lopen, westwaarts, richting de rivier de Elbe. Daar zouden de Amerikanen zijn. Het werd een lange, barre tocht, te midden van duizenden andere vluchtelingen, onder wie talloze andere Hollanders. Elke avond zocht Jan een rustig plekje op om hun belevenissen in een klein boekje op te schrijven [zie hieronder]. Ze bereikten lopend de Elbe, maar slaagden er niet in die over te steken. „Dat was vreselijk, telkens die teleurstelling.” En zo vielen ze toch in handen van de Russen. Die zetten de broers uiteindelijk op transport richting Nederland waar ze aankwamen op station Maastricht. „Daar stond op het perron een fanfare die het Wilhelmus speelde. Nou ben ik helemaal niet zo’n Wilhelmusman, maar daar werd ik wel emotioneel van.” Jan Seesing slikt een brok in zijn keel weg. „Mijn moeder had vier sanseveria’s staan en had tegen zichzelf gezegd: als die alle vier bloeien, komen mijn vier jongens weer thuis. En dat was ook zo.”

Nogal wat voormalige dwangarbeiders voelen zich miskend. Terug in Nederland werden ze gewantrouwd. Hadden ze niet meer kunnen doen om het werk te weigeren? „Ik heb dat niet aan den lijve ondervonden”, zegt Seesing: „Ik ben niet met de nek aangekeken.”