'Ons legden ze geen dwang op'

De ouders van Hanneke Schreiber (1959) runden een huisartsenpraktijk. ‘Mijn moeder overleed op een stomme manier.’

‘Vijfentwintig kamers hadden we. We woonden in een reusachtig, verrukkelijk hoekhuis aan de singel in Roermond, met een grote tuin erbij. We waren niet rijk; mijn ouders hadden het huis gekocht omdat de praktijk die erbij hoorde goed betaalbaar was.

„Patiënten werden ontvangen op de beletage, in de wachtkamer naast de voordeur. Ik denk dat die ’s ochtends tijdens het spreekuur gewoon openstond. Naast de wachtkamer was de praktijkkamer, waar mijn moeder mijn vader assisteerde. Ze was opgeleid als verpleegster en vond het heerlijk om met mensen om te gaan. Wij hielden ons vooral beneden op, in de keuken en de kinderkamer.

„Omdat mijn moeder de hele dag bezig was, hadden we een huishoudster die bij ons inwoonde: Gerda. Een pinnig rotmens was dat, ongetrouwd, en achteraf gezien waarschijnlijk erg ongelukkig. Mijn moeder was een royale werkgeefster, maar toen ze op een dag hoorde dat Gerda mijn broertje André een tik had gegeven, werd Gerda op staande voet ontslagen en kon ze via de achterdeur vertrekken. Er kwam geen nieuwe huishoudster.

„We waren een van de eerste gezinnen met een huistelefoon, met toestellen in alle belangrijke kamers. Op een gegeven moment hield het gebel niet meer op, maar mijn ouders werden daar nooit moe van. Het hoorde erbij. Voor hun draaide het leven om doelen, verantwoordelijkheden. Daar staken ze al hun energie in. Vreemd genoeg legden ze ons geen enkele dwang op om ook goed te presteren. Integendeel: geld en ambitie hadden een negatieve bijklank. Wij moesten vooral bescheiden zijn en anderen de ruimte geven.

„Mijn vader was rustig, geduldig. Lief, ook wel. Maar het was ook een overlever, met een Indisch kampverleden dat voor ons nogal een mysterie bleef. Mijn vader gaf zich nooit helemaal; het was alsof hij altijd zijn krachten spaarde. Mijn moeder was totaal anders: die was warm, energiek, ze lachte veel. Nadat ze elkaar begin jaren vijftig ontmoet hadden in Heerlen, haar geboorteplaats, was zij degene die mijn vader leerde om direct betrokken te zijn, bij haar en bij anderen. Later is hij zo hard gaan werken dat hij die betrokkenheid weer verloor.

„Tien jaar nadat deze foto werd gemaakt, overleed mijn moeder plotseling, op een stomme, onnodige manier. Ze kwam ten val tijdens een partijtje tennis, brak haar arm, en kreeg in het ziekenhuis een volledige narcose die verkeerd uitpakte. Mijn vader maakte me ’s nachts wakker om het te vertellen, en toen ben ik heel hard met mijn hoofd tegen de verwarming gaan bonzen. Ik was in shock – we waren met z’n allen in shock. De weken na het overlijden hielden mijn moeders zussen en vriendinnen ons huis warm. Bij mij en Marij overheerste al snel ons verantwoordelijkheidsgevoel: alles moest goed blijven draaien.

„Drie maanden na het ongeluk kondigde mijn vader een keer tijdens de afwas aan dat hij weer ging trouwen. Mia was een kennis uit het tennisclubje van mijn ouders; een vermogende weduwe met zes studerende kinderen, die in ons gebroken gezin een mooie taak voor zichzelf zag weggelegd. Ik reageerde instemmend op het nieuws, maar niet enthousiast. Marij werd kwaad op mijn vader, en is dat nog jaren gebleven. Ze wist niet meer wat ze met hem aanmoest. Hij verschool zich achter de rokken van zijn nieuwe vrouw, die hem meesleepte in haar drukke sociale leven. Hij was niet meer dezelfde. We waren hem eigenlijk kwijt.

„Vooral André was na de dood van mijn moeder lang zoekende. We zijn allemaal slimmeriken, maar André is briljant, die kon elk beroep kiezen. Nu moest hij opeens zelf zijn weg zien te vinden. Hij miste een sterke hand. Uiteindelijk is hij zanger geworden. Dat maakt hem gelukkig.”

Ze boft, zegt ze schuchter: twee huizen, en allebei zo mooi. Een boot in de ene stad, deze etage aan de gracht in de andere. Van hieruit fietst ze naar haar werk, in een tuin met zeldzame planten.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl