Nederland bestaat voor 5 procent uit eeuwige zeuren. Negeer die frustraten

Wat de verschillen tussen de NSB, de Boerenpartij en de PVV ook zijn, hun overeenkomst is dat ze een vluchtplaats boden voor de ontevredenen en de gefrustreerden.

Publicist. Hij schrijft over ruimtelijke ordening, onder andere voor ‘De Groene Amsterdammer’. In 2005 stelde hij samen met Adriaan Geuze de bundel ‘Polders! Gedicht Nederland’ (2005) samen, met verhalen over Nederlandse polders.

In de afgelopen tien jaar moest ik regelmatig denken aan de wet van de reisleider. Deze wet luidt dat je in ieder reisgezelschap een handvol ongeneeslijk ontevreden reisgenoten treft.

Hoe de reisleider ook zijn best doet, voor hen is het nooit goed. Waarom ze ontevreden zijn, is een zaak voor psychologen en sociologen. Voor de reisleider telt de vraag hoe hij met hen moet omgaan.

De harde kern van onverbeterlijke klagers omvat meestal niet meer dan 5 procent van het gezelschap. Maar voor een reisleider is deze marginale groep een serieus gevaar. De grootste fout die hij kan maken, is proberen om het hun naar de zin te maken. Het zal hem nooit lukken, want hun ongenoegen is een bodemloze put. Hoe meer hij zijn best doet, des te smadelijker zal zijn nederlaag zijn. Met alle tijd en energie die hij hieraan spendeert doet hij bovendien de overige 95 procent tekort.

Met als gevolg dat deze 95 procent ook ontevreden kan worden, en dan wél met een goede reden. Een reisleider weet dat er, naast de harde kern van 5 procent, een grotere groep bestaat die niet per definitie ontevreden is, maar dat wel gemakkelijk kan worden. Dat zijn de meelopers van het ressentiment, zo’n 15 à 20 procent.

Als de harde kern met succes de reisleider vernedert, kan deze groep zich daarbij aansluiten. Zodat de reisleider ineens geen 5 procent tegenover zich heeft maar misschien wel 25. Dat is nog altijd een minderheid, maar door haar omvang en agressie kan deze minderheid de reis voor iedereen verpesten.

Een verstandige reisleider negeert de 5 procent kankeraars zo veel mogelijk. Hij neemt hun bestaan en hun dreiging serieus, en hij groet ze iedere ochtend bij het ontbijt, net als de anderen. Maar hij schenkt hun nooit meer dan 5 procent van zijn tijd. En hij zorgt er in de eerste plaats voor om een uitstekend reisleider te zijn, die 95 procent van het gezelschap een prachtige en onvergetelijke reis bezorgt.

Wie de wet van de reisleider eenmaal kent, kijkt net iets anders naar de wereld om zich heen.

De onverzadigbare zeuren en querulanten zijn feilloos herkenbaar. Niet alleen in de touringcar maar ook op verjaardagen, in het verenigingsleven, bij de klantenservice, onder columnisten en in de vuilspuithoekjes op internet. Ze zijn dagelijks verbijsterd en tekortgedaan. Ze ademen kwaadheid en misprijzen en sloven zich uit in beledigingen en verdachtmakingen. Je zou bijna vergeten dat het er niet eens zo veel zijn. 5 procent van de bevolking, dat is ook hier een redelijke schatting.

Het moet nadrukkelijk worden gezegd dat ze het gelijk voor een deel aan hun zijde hebben. We leven in een onvolmaakte wereld. Wie graag alleen de onvolmaaktheden wil zien, kan iedere dag punten scoren.

Toch hebben ze per saldo ongelijk, omdat ze weigeren hun klachten in redelijke proporties te zien. Als ze aan politiek doen of denken, trekken ze er een vies gezicht bij.

Ze klagen over de wanprestaties van politici en bestuurders maar zijn nauwelijks in oplossingen geïnteresseerd. Hun eigen oplossingen zijn meestal te naïef of buitensporig om uitvoerbaar zijn. Dat komt goed uit, want zo kan hun ontevredenheid voortbestaan. Ze houden niet van ideologie, want ideologieën hebben de vervelende neiging om positieve doelen te verwoorden. De enige vorm van ideologie die de chronische klager goed kan hanteren, is verideologiseerde haat. Intellectuelen, idealisten, de overheid en wisselende groepen ‘vreemdelingen’ zijn geliefde mikpunten. Ze jammeren graag dat ze worden gedemoniseerd, niet omdat het zo is, maar om met hun zelfbeklag te kunnen adverteren.

Ze zullen veelal niet stemmen. Af en toe klonteren ze samen bij een partij die zich speciaal op hun grillige kiezersgroep richt. Ze zijn luidruchtig, opvallend en banaal. Journalisten die hun krant of televisierubriek als een rariteitenkabinet beschouwen, besteden er daarom bovenmatig veel aandacht aan. Er doen rare theorieën de ronde, die bijvoorbeeld beweren dat 5 procent ontevredenen bij uitstek ‘de stem van het volk’ vertegenwoordigen, en dat de overige 95 procent dat dus niet doen.

Zo lijkt het verschijnsel bij vlagen groter dan het is. De NSB, de Boerenpartij, de Centrumpartij, Leefbaar Nederland, de PVV ten tijde van de Kamerverkiezingen van 2007: wat ook hun verschillen zijn, hun overeenkomst is dat ze een vluchtplaats boden voor ontevredenen en gefrustreerden, en dat ze hun electorale plafond om en nabij de 5 procent hadden.

Een mopperhoekje van 5 procent, dat kan een samenleving aan. Je moet er aandacht aan besteden, maar niet te veel. Het wordt anders als de aanhang van rancunepartijen plotseling groeit van 5 naar 15 of 25 procent. Dan is er iets mis in de samenleving. Dat was in de afgelopen tien jaar aan de orde, en dit brengt ons bij een tweede toepassing van de reisleidersvuistregel.

Begin mei 2002, vlak voor zijn dood, overwoog een kwart van de kiezers op Pim Fortuyn te stemmen. Het virtuele plafond van Peter R. de Vries en Rita Verdonk lag korte tijd op vergelijkbare hoogte, en voor Geert Wilders geldt ruwweg hetzelfde. De luidruchtigheid groeit mee. Je zou bijna vergeten dat zelfs onder sterk gepolariseerde omstandigheden de overgrote meerderheid nog altijd welbewust niet op de ontevredenheidspartijen stemt.

Deze partijen danken hun groei niet primair aan eigen verdienste maar aan het falen van anderen. De explosieve groei betekent niet dat het aantal chronisch ontevredenen plotseling is verdrievoudigd of vervijfvoudigd. Nee, er komt naast de harde zeurkern een andere groep bij, met andere motieven en een minder standvastige vorm van ontevredenheid. Het is de groep van mensen die teleurgesteld zijn in ‘de politiek’ maar het voor mogelijk houden dat ‘de politiek’ zich na een schoktherapie herstelt.

Zij willen met hun proteststem de gevestigde partijen een draai om de oren geven. Zij zeggen op verjaardagen dingen als: ‘Ik ben het niet eens met alles wat Wilders zegt, maar hij durft het wel te zeggen’, of: ‘Dat van die kopvoddentaks bevalt mij ook niet, maar het is tijd dat de andere partijen eens flink schrikken’. Deze tweede groep bestaat, kortom, uit de reisgenoten die best bereid waren de reisleider krediet te geven, maar die hem nu willen inwrijven dat hij zijn werk slecht doet. Zo kritisch als ze zijn op de gevestigde partijen, zo weinig kritisch zijn ze op de capaciteiten van de ontevredenheidspartij. De vraag of Fortuyn of Wilders het land beter kan besturen dan de politici tegen wie zij zich afzetten, is voor hun niet eens zo relevant. Het gaat om die draai om de oren. Als ze hun ontevredenheid hebben laten merken, kunnen ze de volgende keer weer een andere keuze maken.

Dit brengt ons bij de derde toepassing van de wet van de reisleider. De hoofdpersoon in deze wet is niet de chronisch ontevredene of de tijdelijk ontevredene, maar de reisleider zelf. Een goede reisleider weet de destructieve krachten van de ontevredenheid in toom te houden. Kennelijk heeft Nederland al bijna tien jaar lang geen goede reisleiding. Wat ontbreekt, is het leiderschap van verstandige, begrijpelijke en overtuigende ideeën die uitgedragen worden door enigszins stabiele, herkenbare en gezaghebbende personen.

Het klinkt zo vanzelfsprekend maar we moeten het al heel lang zonder doen.

De hoofdpersonen uit dit decennium van instabiliteit zijn niet Fortuyn, Verdonk of Wilders. Zij roken alleen maar hun kans om van de zwakten van anderen te profiteren. De hoofdpersoon is de zwakke reisleider. En dat roept de vraag op: waarom is het leiderschap al zo lang zo zwak dat de marge zich zo breed kan maken?

Een eerste verklaring is dat het politieke bedrijf veel minder macht heeft dan voorheen. De samenleving is ingewikkelder, burgers en bedrijven zijn mondiger, en bovendien is er vanaf de jaren tachtig een welbewust beleid gevoerd om overheidstaken af te stoten. Veel zaken waarover ‘Den Haag’ vroeger besliste, worden nu beklonken op andere, minder toegankelijke plaatsen, bijvoorbeeld in megaschoolbesturen, zorgkoepels, woningcorporaties, regionale verbanden en in het bedrijfsleven.

Het pijnlijke is dat veel burgers geen boodschap hebben aan de teruggetreden overheid. Ze verwachten meer van haar dan zij tegenwoordig kan bieden. Dat ze op veel terreinen formeel eindverantwoordelijk is gebleven of ‘toezicht’ houdt, maakt het alleen maar erger. Als het treinverkeer weer plat ligt door onverwacht herfst-, winter- of lenteweer, zou de Tweede Kamer de directeur van de NS of ProRail moeten laten opdraven, maar dat kan niet. In hun plaats komt de minister van Verkeer en Waterstaat vertellen dat hij er heus bijna niets aan kan doen. Zo veroorzaakt de politiek haar eigen erosie en voedt ze de ontevredenheid.

Een tweede verklaring gaat terug op een rampzalige gok die het kabinet-Paars II begin 2001 nam. Het eerste paarse kabinet was een succes geweest, maar in de tweede aflevering waren PvdA en VVD al snel op elkaar uitgekeken. Ten tijde van de Voorjaarsnota 2001 ruilden ze de verzoenende paarse toon in voor hun vertrouwde ideologische animositeit. Het kabinet hield op dat moment op te leven, en het had plaats moeten maken voor iets anders. Maar de coalitiepartners gokten erop dat ze schadevrij konden doorsukkelen tot aan de verkiezingen van 2002, met onderweg ook nog een leiderswisseling.

Onder lichtere omstandigheden was het kabinet er wellicht mee weggekomen. Maar door 11 september, Srebrenica, een haperende economie en ongenoegen over de overgang van gulden naar euro, kreeg dit leiderschapsvacuüm dramatische gevolgen. Het ideeënloze kabinet had geen gezaghebbend en vertrouwenwekkend weerwoord op de angst en de onrust, noch op de reflexmatige verharding van de samenleving die erop volgde. Niemand was bereid of in staat Paars te verdedigen toen Fortuyn aanviel. Zelfs grootheden als Wim Kok en Frits Bolkestein keken hulpeloos toe terwijl de groep ontevredenen in de eerste maanden van 2002 van 5 naar 25 procent sprong, precies zoals het in een nachtmerrie van de reisleider gebeurt. En de onrust is gebleven. Eén voorjaar van onbedachtzaamheid kan maken dat men tien jaar schreit.

Een derde verklaring richt zich, weliswaar met een zekere schroom, op de personen die het leiderschap dragen. Om er één te noemen: het afgelopen decennium vol onrust was ook het decennium van minister-president Jan Peter Balkenende. Hij zal de geschiedenis ingaan als een man met capaciteiten maar ook als een geval van ongelukkige casting. Hij was mogelijk een goede leider voor zijn partij, maar intussen een slechte leider voor Nederland. De eerste taak van een reisleider in onrustige tijden is immers het temmen van de onrust, en van alle politieke leiders die daarin niet zijn geslaagd, was hij de primus inter pares.

Wat leert de wet van de reisleider voor de toekomst?

Om te beginnen: houd de proporties in de gaten. Neem problemen serieus maar doe niet alsof ze groter zijn dan ze zijn. Dat klinkt eenvoudig maar het is het niet. Na een decennium van oververhitting moeten veel Nederlanders het normale gevoel voor proporties helemaal opnieuw leren.

Besteed niet te veel aandacht aan de ontevreden minderheid, maar doe het wel goed. Denk aan het onderscheid tussen de twee groepen. Accepteer dat de harde kern van ongeneeslijk ontevredenen altijd zal blijven bestaan. Probeer ze niet te paaien, want dat werkt averechts. Probeer wel de grotere groep terug te winnen. Zorg dat zij weer vertrouwen krijgen in de toekomst, en vertrouwen in een positieve keuze in plaats van een proteststem.

Vertrouwen terugwinnen kan het best door volop aandacht te besteden aan de 75 procent die het vertrouwen in de politiek in beginsel nog altijd heeft. Reduceer hen niet tot toeschouwers bij een minderheidsgevecht. Geef deze 75 procent ook minstens 75 procent van de aandacht, neem hen naar rato serieus, deel met hen de grote vraagstukken van vandaag en morgen, en ga samen met hen op zoek naar een nieuw maatschappelijk perspectief. Als dat lukt, dan zal het moppercohort dat bij Pension Wilders tijdelijk onderdak had gezocht, stilaan terugkeren.

Natuurlijk hangt veel af van de personen. Met Job Cohen ziet het politieke landschap er anders uit dan met Wouter Bos, en stel dat Balkenende nog plaats had gemaakt voor Gerd Leers of Cees Veerman. Een nieuwe reisleider kan de lucht klaren.

Maar personen zijn niet allesbepalend. Nog altijd moet de vertrouwenswond van 2001-2002 helen. Het moet duidelijk zijn wat burgers wel en niet van de politiek kunnen verwachten. Het is zinvol om weer stil te staan bij de redenering die vanaf de jaren tachtig aan de ‘terugtreding’ ten grondslag lag: de overheid moet ‘minder maar beter’ worden; ze hoeft zich niet meer met alle details te bemoeien maar wel met de hoofdzaken. Dat blijft een goed idee, maar het kan alleen slagen als er maatschappelijke overeenstemming bestaat over wat ‘hoofdzaken’ zijn en wat ‘beter’ inhoudt. Die inhoudelijke overeenstemming is de eerste taak voor politiek leiderschap.

Een reisleider zou het zo zeggen: ‘Of u een mooie reis zult hebben, ligt in de eerste plaats aan uzelf. Het is uw reis. Ik kan u niet gelukkig maken en ik kan geen zonneschijn garanderen. Maar ik kan wel de reis mogelijk maken en een aantal zorgen wegnemen. Ik let op het reisschema, ik zie erop toe dat de bus de goede kant op gaat, ik voer het woord waar dat nodig is. Hebt u vragen, kom dan bij mij. Ik kan niet beloven dat ik altijd een antwoord weet, maar ik zal mijn best doen.’