Mijn Boyfriend

Lies Swane-Arntz (1940) maakt de bevrijding mee van Nijmegen in september 1944. Bij haar tante thuis zijn Britse militairen ingekwartierd. Met een van hen, John, heeft Lies wel een heel speciale band.

‘Op deze foto – het enige souvenir dat ik nog van hem heb – zie je mij met John. Nijmegen, najaar 1944. Ik ben bijna vijf, enig kind, leef samen met mijn moeder want mijn vader zit nog ondergedoken. [Hij is in het nog bezette Friesland om aan Duitse dwangarbeid te ontsnappen, red.] Daar mag ik met niemand over praten.

„De stad is bevrijd. De Duitsers zijn weg. Op straat hoor je hardop Engelse liedjes zingen die ik allemaal ken. Er rijden jeeps met vrolijke soldaten in groene uniformen. Ze zwaaien en stoppen om vrouwen chocola en zijden kousen te geven. Ik krijg pepermuntjes met een gat erin. Als je daar het puntje van je tong in steekt kun je er lekker op zuigen.

„John is mijn boyfriend en grote liefde. Dat zie je omdat ik hand-in-hand met hem sta. Dat zou ik met niemand anders doen, behalve misschien met mijn vader. John staat hier op wacht voor het huis van mijn tante waar een groep Tommy’s [Britse soldaten, red.] is ingekwartierd. Wij mogen elk weekend bij tante logeren en krijgen dan corned beef.

„Een van de eerste keren dat ik John zag trok hij mij op schoot, sloeg zijn armen om mij heen, legde zijn wang tegen de mijne en begon zacht te neuriën. De andere Engelsen in het vertrek dat altijd naar rook en drank stonk, begonnen mee te zingen: ‘It’s a long way to Tipperary, it’s a long way to go’. Van de laatste regel maakten ze lachend: ‘You are the sweetest girl I know’, met nadruk op ‘You’, terwijl ze naar mij wezen.

„Na een van zijn vluchten gaf John mij een teddybeer waar ik zielsgelukkig mee was. Het was niet eens een nieuwe maar ik had in geen maanden cadeautjes gekregen, zelfs niet van opa.

„Ik moest ervan huilen en begroef mijn gezicht in zijn kraag omdat ik niet wilde dat iemand het zag. Pas veel later heb ik beseft dat die beer zijn eigen mascotte was.

„Vaag zie je ook nog op dit kiekje hoe vanachter de ruit Mary naar ons staat te kijken, het meisje dat kookte. Ik vond haar lief.

„Maar dat veranderde toen ze mij vertelde dat John niet meer terug kon komen. Hij was boven het kanaal neergeschoten.

„Ik was geschokt en kon het nieuws eerst niet bevatten. Maar de klap kwam pas hard aan toen Mary snikte dat hij haar boyfriend was geweest. Het schijnt dat iemand mij in bedwang heeft moeten houden omdat ik haar dreigde aan te vallen. Ik wist zo vreselijk zeker dat hij de mijne was geweest.

„De teddybeer heb ik helemaal stukgejankt en -geknuffeld. Op een kwade dag, een paar maanden later, bleek hij weggegooid en vervangen door een andere. Die deed me helemaal niets. Ondertussen was mijn vader teruggekomen. Maar ik wilde geen vader meer en zeker niet deze die de zachtheid miste van mijn boyfriend.”

Als Lies Swane-Arntz de foto uit de nagelaten fotodoos van haar ouders haalt, om op te sturen naar NRC Weekblad begint ze te twijfelen aan haar herinnering. Het is haar nooit eerder opgevallen, maar op de achterkant van de foto staat in het uitgegumde handschrift van haar moeder maar nog wel te lezen: ‘Lizy met Weyer Losecaat Vermeer’. Ze is „stomverbaasd”. Niet John? Dat ze zelf op de foto staat, staat vast. Maar de naam Weyer Losecaat Vermeer zegt haar niks. Aanvankelijk concludeert ze dat haar herinnering blijkbaar niet klopt. Dat Vermeer kennelijk een andere ingekwartierde soldaat is, met wie ze is gefotografeerd. Later valt het haar op dat het handschrift van haar moeder van veel latere datum moet zijn. Mogelijk heeft haar moeder zich vergist. „Als ik het ingescande plaatje nog eens op mij laat inwerken, zoals ik deed toen ik het verhaal schreef, voel ik nog steeds geen twijfel. Mary staat achter het raam naar ons te kijken. Hij is de John op wie ik dol was.”