'Kaalkop, kaalkop', riepen ze allemaal

Opvallend veel inzenders herinneren zich het kaalknippen van ‘moffenmeiden’, meisjes die ervan werden verdacht relaties met Duitsers te hebben gehad. ‘Het was afschuwelijk.’

Josien Zimmerman (1937) beschrijft een verjaarsvisite, ver na de oorlog, in Leusden. Er zijn tien mensen, allemaal kort voor de oorlog geboren. Het gesprek gaat over oorlogsherinneringen, over angst. Iedereen vertelt wat zijn of haar meest beangstigende herinnering is. „Dan begint een voor mij onbekende man te vertellen. In de oorlog woonden zijn ouders in Amsterdam, waar hij ook het begin van de Hongerwinter meemaakte. Hij werd later ondergebracht bij een gezin in een klein dorp, waar nog een redelijke hoeveelheid voedsel beschikbaar was. ‘Daar maakte ik ook de Bevrijding mee’, zegt hij. ‘En er gebeurde daar toen zoiets afschuwelijks, dat is me altijd bijgebleven. Er reed een mestkar door de dorpsstraat, schreeuwende en jouwende mensen eromheen en op die kar stonden vrouwen met kale hoofden ...’

„Terwijl hij zijn verhaal verder vertelt hoor ik zijn stem haast niet meer en zie ik mijn eigen herinnering voor me: ik ben net 8 jaar geworden. Het is Bevrijding, er is steeds veel te doen voor ons huis aan de Dorpsstraat in Heerde. We horen lawaai, met mijn moeder gaan mijn zusje en ik naar buiten en we staan op de stoep. Er is een oploopje van joelende mensen om een mestkar. Daarop staan vrouwen, al hun haar wordt afgeknipt. Ze hebben akelig witte kale hoofden, er wordt aan hun kleren getrokken, de jurken scheuren. Dan verft een man het hoofd van zo’n vrouw rood met menie. Geschreeuw en gekrijs. Ik schreeuw het nu ook uit van angst. Mijn moeder zegt: ‘kijk maar niet’ en verbergt mijn hoofd in de plooien van haar rok.

„Intussen is de man uit Amsterdam klaar met zijn verhaal. Ik vraag zachtjes: ‘welk dorp was het waar je logeerde?’ ‘In Heerde op de Veluwe’, antwoordt hij.”

Ook Joke Wilderom-Korpershoek is als 11-jarige in Heerde getuige geweest, zo blijkt uit haar dagboekfragmenten op de site van Omroep Gelderland: „Toen was het tijd om de, ik zal maar zeggen, moffenmeiden kaal te knippen. De ondergrondse ging ze halen, een stuk of vijf. Ze kwamen terug met een hele stoet kinderen en grote mensen erachter. De meisjes keken zo sip. Ze moesten de muziektent in en er kwamen een paar kappersjongens bij, van een jaar of 14. Die moesten knippen. Er waren een heleboel mensen om de tent heen. De muziektent lag vol haren. Toen ze klaar waren was het toch zo’n raar gezicht. Ze riepen allemaal ‘kaalkop, kaalkop’. De meiden moesten het Wilhelmus zingen met een klein vlaggetje in de hand. ‘Duitsen bloed’, zongen ze heel hard. Toen mochten ze weer naar huis. Maar het was nog niet klaar. De scholen waar de Duitsers in gezeten hadden, moesten ze schoonmaken.”

Anna van Splunter was elders in Nederland: „Als argeloos meisje van acht jaar was ik samen met een vriendinnetje bloemen aan het plukken. Daar kwam als eerste teken van de bevrijders een tank onze laan oprijden. We werden opgetild en boven op de tank gezet [...] Eindelijk vrede na een helse tijd.

„’s Avonds gingen we met het hele gezin de stad in om het bevrijdingsfeest te vieren: wat een teleurstelling! Bovenop een kar was een kappersstoel gezet met daarop een vrouw met bloed besmeurd. Joelende mannen en vrouwen daaromheen. De vrouw werd hardhandig kaalgeknipt en gilde het uit. Voor mij was op dat moment de vrede afgelopen, het feest voorbij. Ik heb nooit Bevrijdingsdag kunnen vieren. Altijd heb ik het beeld gezien van mensen die op beestachtige wijze Bevrijding vierden.”