Innovatieplatform heeft maar weinig bereikt

Het Innovatieplatform, in 2003 opgericht om de innovatiekracht van Nederland te versterken, heeft weinig opgeleverd. „Een verspilling van tijd en middelen.”

De ambitie is niet gehaald. „Als ik de balans op maak van zeven jaar Innovatieplatform dan kan ik maar één conclusie trekken: een verspilling van tijd en middelen”, zegt innovatiehoogleraar Alfred Kleinknecht van de Technische Universiteit Delft. „Het platform heeft nauwelijks invloed gehad op het innovatiebeleid.”

Het Innovatieplatform – in 2003 opgericht om ‘de innovatiekracht van Nederland te versterken, zodat ons land in 2010 weer een koploper is in de mondiale kenniseconomie’ – produceerde vorige week haar laatste rapport. Nederland stond rond de millenniumwisseling in de top 3 van de ranglijst van het World Economic Forum, nu op een tiende plaats.

Het rapport Nederland 2020, terug in de top 5 pleit voor een moderne industriepolitiek en maakt zich zorgen over het ondernemerschap. Te weinig startende innovatieve bedrijven, te weinig snelle groeiers die op de wereldmarkt doorbreken, te weinig innovatie bij bestaande bedrijven. „Het is een klacht met historie”, zegt de econoom Arie van der Zwan. In 1980 schreef een commissie onder zijn leiding voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) het rapport Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie. De industrie, zo signaleerde Van der Zwan toen, heeft zich onvoldoende aangepast aan de verschuivingen op de wereldmarkt. Een commissie onder leiding van Gerrit Wagner, oud-topman van Shell, werkte de WRR-plannen verder uit en riep de politiek op tot het stimuleren van kansrijke produkt-en marktcombinaties, de zogenoemde aandachtsgebieden. „In 2004 pleitte ook het Innovatieplatform voor zogenoemde sleutelgebieden”, zegt Van der Zwan. Een pleidooi dat de werkgevers onlangs herhaalden in hun manifest voor de komende kabinetsperiode. Van der Zwan: „Zet ik dit allemaal op een rijtje dan zijn er kostbare jaren verspild om effectief beleid te maken.” Hij verwacht dat de werkgevers tijdens de kabinetsformatie actief zullen lobbyen om hun visie op het industriebeleid in het regeerakkoord te krijgen. „Dan wordt het pas echt beleid, want ondanks het feit dat premier Jan Peter Balkenende voorzitter was van het Innovatieplatform, heeft het platform bitter weinig opgeleverd. Goede rapporten, maar het ontbreekt aan de vertaling in beleid.”

Het platform heeft gewezen op het belang van goed onderwijs, onderzoek en ontwikkeling, een concurrerend ondernemersklimaat „en meer van die gemeenplaatsen”, zegt hoogleraar Kleinknecht. Hij vindt dat het Innovatieplatform „niet veel heeft gepresteerd” en hekelt de sleutelgebieden. „Flowers & food, hightech systemen en materialen, water, creatieve industrie, chemie, pensioenen en sociale verzekeringen”, somt Kleinknecht op. „Tachtig procent van de Nederlandse bedrijven valt onder de sleutelgebieden van het platform.” De best georganiseerde lobbies hebben, volgens hem, gewonnen. „Terwijl de kracht juist zit bij de nieuwe bedrijven, de uitdagers, maar die hebben niet zo gemakkelijk toegang tot Economische zaken als Philips, Akzo en DSM.”

In het najaar van 2004 werden er vier sleutelgebieden vastgesteld, zegt Frans Nauta, toenmalig secretaris van het Innovatieplatform. Later kwamen daar chemie, pensioenen en sociale verzekeringen bij. „Het resultaat van een adequate lobby”, zegt Nauta. In september 2005 vergaderde het platform in het zuiden van het land. Er werd gedineerd in Château St. Gerlach bij Valkenburg en de volgende dag vergadert op het fabrieksterrein van DSM. „Er liepen voorturend veel mensen rond die geen lid waren van het Innovatieplatform, het bleken medewerkers van chemieconcern DSM te zijn. Hun inbreng bleef niet zonder gevolgen: enige tijd later was er weer een sleutelgebied bij gekomen: chemie.”

Nauta schreef het boek Het Innovatieplatform over zijn ervaringen. „Er was veel goede wil om innovatie op de agenda te zetten, maar het bleek nagenoeg onmogelijk om bestaande structuren te veranderen en subsidiestromen te verleggen.”

De inspanningen van het eerste Innovatieplatform leidde onder meer tot een versoepeling van het beleid voor de toegang van buitenlandse kenniswerkers en de invoering van zogenoemde innovatievouchers voor het midden- en kleinbedrijf. Ook werden sleutelgebieden gekozen. Omdat innovatie om een langdurige inspanning vraagt, heeft ook het vierde kabinet Balkenende in 2007 opnieuw een innovatieplatform opgericht voor de lopende kabinetsperiode.

Wetenschappers waren en zijn sceptisch over het Innovatieplatform. „De zwakte van het Innovatieplatform ligt in de eindeloze, op consensus gerichte overlegcultuur, waarbij iedereen wordt betrokken maar niemand echt verantwoordelijk is”, schreef Henriëtte Maassen van den Brink, hoogleraar empirische arbeidseconomie aan de Universiteit van Amsterdam al in 1994 in Het Financieele Dagblad. Aan het instellen van het platform ligt, volgens haar, een foutieve opvatting ten grondslag, namelijk dat innovatie gestuurd kan worden. Dit is niet het geval.

In de jaren zeventig en tachtig heeft de Nederlandse overheid vele miljoenen euro’s verkwist door steun te verlenen aan industrieën als de scheepsbouw. In de jaren tachtig is veel geld gestoken in het overeind houden van vliegtuigbouwer Fokker. De hoogwaardige technologie van Fokker mocht niet verloren gaan. In de jaren negentig is door de Europese Unie vele honderden miljoenen euro’s gestoken in mislukte technologieprojecten als HDTV. De ervaring leert dat de overheid meestal misgokt bij het aanwijzen van kansrijke nieuwe technologieën. „Industrie- en technologiebeleid van de overheid loopt bijna altijd op een fiasco uit”, aldus Maassen van den Brink.

Toch zijn er landen die wel een keuze maken, en daar zeer succesvol in zijn. Van der Zwan noemt als voorbeeld de windenergie in Denemarken en de zonne-energie in Duitsland. „Daar heeft de politiek het gewicht in de schaal gegooid en een keuze gemaakt. Met succes. Nederland poldert en kiest niet.”

De econoom constateert dat de achterstand die Nederland heeft ten opzichte van het buitenland de afgelopen zeven jaar verder is opgelopen. „Een zeer zorgelijke ontwikkeling”, meent Van der Zwan. „Als ik een vergelijking maak met 1980 dan is de internationale concurrentiestrijd alleen maar feller geworden. Wil Nederland weer meedoen aan de top, dan moeten er keuzes worden gemaakt.” Als voorbeeld noemt hij de duurzame energie. „Daar liggen veel kansen. Maar je moet keuzes maken. Ik hoop dat het volgende kabinet dat doet – alle hoop richt zich op een nieuw regeerakkoord.”