Iedereen zijn eigen herdenking

Hoe gaan we om met Dodenherdenking als de mensen er niet meer zijn die de oorlog hebben meegemaakt? Stoppen met herdenken lijkt geen optie. „Het is het besef van ergens bijhoren.”

Jaar na jaar wordt de groep van degenen die het hebben meegemaakt kleiner. Steeds minder zitplaatsen hoeft het Nationaal Comité 4 en 5 mei in te ruimen voor de sectie ‘overlevenden’ onder de 1.700 genodigden die op 4 mei in de Nieuwe Kerk Nederlands nationale Dodenherdenking nog wel vorm, maar steeds moeilijker inhoud geven. Hoe moet dat, als ook zij allemaal dood zijn?

Vijfenzestig jaar geleden is het nu dat de Tweede Wereldoorlog voor Nederland ten einde kwam en bij de vijftig-jarige herdenking van dat feit al uitte de Amsterdamse psycholoog professor Nico Frijda in het openbaar de verzuchting: „Dit voorjaar wordt 50 jaar bevrijding herdacht; je wordt er bijna ziek van! Of er na 50 jaar niet acuter zaken zijn die het oude doen verbleken. Of men de zaken zo langzamerhand niet moet laten rusten. Of de emoties nu niet voorbij zijn.” Om die retorische vraag te beantwoorden met de opmerking: „Er is blijkbaar een herdenkingsdrang, en dan ook een sterke.”

En dan heeft Nederland niet eens een herdenkingsdrang die zich verder in het verleden uitstrekt dan de periode ’40-’45. The Great War – de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918 – heeft in het toen neutrale Nederland geen spoor achtergelaten, maar is voor bijvoorbeeld de Britten nog altijd meer ‘de oorlog’ dan alle gewapende conflicten daarna. Elke straat, elk dorp telde zijn gesneuvelden, elk dorp heeft zijn oorlogsmonument 1914-1918 en nog steeds geldt de elfde dag van de elfde maand – de dag waarop de kanonnen stilvielen – als het moment waarop het voormalige British Empire net als de Belgen, de Fransen en ook de Duitsers zijn miljoen doden uit vooral dat conflict herdenkt. Nu soldaat Harry Patch, de laatste nog levende veteraan uit de Eerste Wereldoorlog, onlangs op 111-jarige leeftijd is overleden, zal ook de emotionele lading van die ceremonie veranderen. Niet dat Patch van Remembrance Sunday en het hele militair getinte vertoon bij de Cenotaph in Whitehall iets moest hebben. „That’s all showbusiness.” Zijn eigen herinnering – „waarom ben ik er nog wel?” – dáár ging het om.

„Rituelen die Engeland al lang had, moesten in Nederland na de Tweede Wereldoorlog nog worden uitgevonden”, zegt sociologe Jolande Withuis. In haar boek Na het kamp (2005) staat te lezen hoe moeilijk dat ging.

„Een officiële dodenherdenking?” vraagt de Joodse schrijfster Marga Minco. „Herdenken kwam destijds niet bij me op. Die doden: wij dachten er altijd aan.”

De publieke rituelen zoals we die nu kennen dateren van veel later. Openbaar herdenken ging vlak na de oorlog vooral om het eren van de slachtoffers van het verzet. Concentratiekampgevangenen herdachten vooral onderling en vielen uiteen in groepjes: lang niet iedereen wilde de bevrijding van zijn kamp herdenken. En overlevenden van vernietigingskampen hadden zelden iemand om samen mee te herdenken.

Wie wilde er meteen al aan al die oorlogsellende herinnerd worden? Zo was er voor het dagboek van Anne Frank aanvankelijk geen uitgever te vinden. En teruggekeerden uit de concentratiekampen verenigden zich pas later, en zeker universeel, in zoiets als gezelligheidsverenigingen. De eerste door het Nederlands Auschwitz-comité georganiseerde bijeenkomst van ex-kampgevangenen was in 1957 en bestond wel uit een herdenking op de Oosterbegraafplaats, maar ’s avonds was er cabaret-dansant met optreden van Heintje Davids na.

Marga Minco: „Je wilde in je gedachten zo graag van 1939 naar 1945 gaan en de rest vergeten. De oorlog – die heeft van mij pas bezit genomen na de oorlog.”

De drang naar herdenken – iedereen zijn eigen herdenking – kwam pas jaren na de oorlog, zwakte in de jaren zestig weer af en bloeide op als nooit tevoren sinds de jaren tachtig. Aanleiding was de nationale discussie inzake de vrijlating van de zogeheten Drie van Breda en de bewustwording van het feit dat velen nog steeds leden onder de psychische gevolgen van de oorlog. De psychologisering van het menselijk bestaan deed alom zijn intrede. In de woorden van Withuis: „Al die onderling verdeelde en elkaar bestrijdende groeperingen van kampgevangenen, Joden, Indië-gangers, en verzetsgroepen vonden elkaar toen pas onder één noemer. Die van het slachtofferschap.”

David Barnouw, onderzoeker van het NIOD, is over dat geclaimde en al maar groeiende slachtofferschap van de afgelopen decennia cynisch: „NSB’ers, dove maar niet blinde Joden, landverraders die zich jaren na dato alsnog met het etiket politieke gevangene gaan tooien – allemaal willen ze de laatste jaren afzonderlijke erkenning als slachtoffer. Het is de vaste trits in Nederland: erkenning, een standbeeld en dan uiteindelijk natuurlijk compensatie.” En: „Het NIOD is wel op de herinneringen aan de oorlog gebouwd, maar wij zijn geen herdenkingsindustrie-instituut. In 1985 al gingen er stemmen op: moet dit niet de laatste keer zijn dat we herdenken? Nu is het 2010 en vergeet het maar. Ik ben elke keer weer verrast door wat er opkomt. De boom van Anne Frank! [in 2007 volgde een uitgebreide discussie of een kastanjeboom bij het Anne Frank Huis moest worden gekapt, red.] En er komen vast in de toekomst nog wel meer soortgelijke initiatieven die hun one minute of fame claimen.”

Een nationale bevrijdingsdag dan? Toen de regering-Drees in 1954 eindelijk schoorvoetend akkoord ging met het instellen van een dag om nationaal de bevrijding te vieren, was dat wel op voorwaarde dat vierders een snipperdag zouden opnemen. Tegen het bagatelliseren van gebrachte offers protesteerden Minco en vele andere literaire coryfeeën destijds wél krachtig. Sindsdien is ‘5 mei Bevrijdingsdag’ door vele metamorfoses gegaan: wel iedereen vrij, niet iedereen vrij; wel op zondag, niet op zondag; elk jaar feest of elke vijf jaar feest. En ook: bevrijding waarvan of van wie eigenlijk? En: welke boodschap hebben jonge en ook nieuwe Nederlanders daaraan?

Barnouw: „Je hoort geluiden: laat die link tussen 5 mei en de oorlog toch zitten en maak er gewoon een leuke dag van. Een feestje. In Amerika is er sprake van re-enactments [naspelen] van de Tweede Wereldoorlog, met Amerikanen in SS-uniform. Da’s hier nog een stapje te ver. Maar ik ben ertegen om aan iets vast te houden, als er geen draagvlak meer voor is.”

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei, dat zelf dateert uit 1987, heeft de Dodenherdenking op 4 mei en de viering van Bevrijdingsdag op 5 mei opnieuw moeten stileren. ‘Bevrijdingsdag’ is los gemaakt van ’40-’45 en ‘geïnternationaliseerd’ door aandacht voor vrijheid en onderdrukking elders in de wereld van nu. „Hoe houden we het levend?” zegt Nine Nooter, de directeur van het Nationaal Comité. „Dat is natuurlijk het probleem en daar zetten we elke vijf jaar een nieuwe strategie voor uit. Een feit is dat er na het einde van de Tweede Wereldoorlog nog geen dag voorbij is gegaan dat er niet ergens weer een oorlog gaande was.”

Wat betreft de herdenking van 4 mei: aan wildgroei in de kranslegging – iedereen zijn eigen krans – en aan het claimen van ‘rechten’ bij het herdenken is bij de nationale ceremonie in Amsterdam een eind gemaakt. Nooter: „Wij hebben het niet over een hiërarchie van leed.” Formeel gedenkt de Nederlandse samenleving nu op 4 mei om 8 uur ’s avonds allen – burgers én militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.

De koningin, als staatshoofd symbool voor de hele Nederlandse samenleving, legt als eerste een krans. Een beperkt aantal gezagdragers en een wisselende vertegenwoordiger van organisaties van ‘getroffenen’ leggen nog vijf kransen ‘voor de doden’. Voor velen zijn de twee minuten stilte op de Dam hét moment; 25.000 man verdringt zich rond de Dam, ook al omdat de publieke omroep het uitzendt. Anderen doet het pijn dat de ceremonie op de Haagse Waalsdorpervlakte, met zijn beierende noodklok en zijn stille tocht door de duinen naar de plaats waar honderden Nederlanders door de Duitse bezetters zijn gefusilleerd, ‘gedegradeerd’ is tot troostprijs voor de commerciële omroep.

„There is sanctity in our remembrance of these horrors” schreef The Times toen dieven het bord Arbeit macht Frei boven vernietigingskamp Auschwitz weghaalden om de oudijzerwaarde te gelde te maken. Er kleeft iets sacraals aan herdenken en er kleeft een zekere heiligheid aan verzet en kiezen van ‘de goede kant’.

Mogen dus SS’ers in Letland hun kameraden ceremonieel gedenken en mogen NSB’ers op de Dam staan?

„Ook wie bijvoorbeeld in Indonesië oorlogsmisdaden heeft begaan, kan worden ondergebracht in een traumarol”, zegt Jolande Withuis. „Daders worden slachtoffer gemaakt; het trauma verenigt hen met anderen in het lijden en verhult de verschillen. De Jodenvervolging is echter van een andere orde dan een vredesmissie of dan het verdriet van kinderen van NSB’ers. Aan zulke verschillen hoor je niet voorbij te gaan.”

Nooter van het Nationaal Comité zegt „niet af te strepen wie we niet herdenken”. Maar: „Het gaat erom wie je wel herdenkt. En hoe langer geleden de oorlog is, hoe explicieter we dat moeten maken. Je zou eens moeten weten hoeveel Nederlanders er zijn die denken dat Nederland en Duitsland in oorlog waren om de Jodenvervolging.”

„NSB’ers op de Dam? Nederland herdenkt daar zijn Nederlandse doden, dus verboden is het niet”, zegt oud-minister Els Borst, lid van het Nationaal Comité. „Je mag gedenken wat en wie je wil. Maar genoemd worden ze niet! NSB’ers vergeven als ze daar staan? Dat vind ik vallen onder het hoofdstuk verzoening. Dat is mogelijk, maar daarvoor moet je jezelf de tijd geven. Zo’n tien jaar geleden was er ergens een bijeenkomst van Joodse jongeren en kinderen van NSB’ers. Dat vond ik heel ontroerend. Twee groepen die het moeilijk hebben met het verwerken van het verleden en daarover samen wilden praten.”

Frijda noemt „die SS-herdenking” in Letland „een schande, omdat wat men daar herdenkt schande is. Van mij mag dat dus niet.” Herdenken, zegt Frijda, is je bezinnen op je eigen tijdsverloop, het verwijst naar je eigen geschiedenis, je eigen voorvaderen. „Het is het besef van ergens bij horen, een web van emotionele betrokkenheden”.

We praten over zijn inleiding bij de herdenking van de Holocaust, op 11 april. Frijda: „Ik vind dat de belangrijkste functie van de herdenking bij de Hollandse Schouwburg: je kunt daardoor nooit vergeten wat een schande de Holocaust was én je wordt met je neus gedrukt op het feit dat dat soort gedachten weer kan opkomen. Daar kun je je dan even voor gaan staan schamen. Herdenken sterkt het morele besef dat elke keer als ik denk ‘die klote-Marokkaan’, dat ik me daar dan voor schaam. En dat ik dat vooral moet blijven doen.”