Grote landen zijn weer de baas

De euro- en bankcrisis laat een nieuwe realiteit zien in de EU: staten winnen verder terrein ten koste van Europese instellingen.

De Duitse minister van Financiën, Wolfgang Schäuble, belde vorige week de Griekse premier op en zei: het moment is gekomen om ons om leningen te vragen. George Papandreou zat op een ver eilandje tegen de Turkse kust, uren varen van Rhodos. Maar hij volgde het signaal van Schäuble meteen. Met een pittoresk haventje als decor meldde hij op tv dat Griekenland het alleen niet zou redden en dat het in het nationale belang was om overige eurolanden en het IMF om hulp te vragen.

Dit is een goed voorbeeld van de nieuwe geopolitieke realiteit binnen de Europese Unie, die vóór de crisis op gang kwam maar nu wordt versneld: het beleid wordt niet gemaakt door een Europese instelling, maar een groot land. Na een lange periode waarin de Europese Commissie politiek invloedrijk was, zijn het nu meer landen die de dienst uitmaken. Althans, grote landen.

In de Griekse schuldencrisis, die de euro voor het eerst aan de afgrond heeft gebracht maar die na marathononderhandelingen wellicht morgen bezworen zal zijn (de ministers van Financiën van de eurozone komen dan bij elkaar), is het dus een nationale minister die de knoppen bedient. Schäuble verdoezelt zijn rol. Hij verschuilt zich om allerlei redenen achter het IMF en de Europese Centrale Bank. Maar deze twee organisaties werken in Athene met de Grieken enkel de technische details uit van drastische hervormingen en bezuinigingen die Schäuble in Berlijn heeft opgesteld, en die de Grieken maar hebben te slikken.

Ook de Europese Commissie, die als hoeder van het Stabiliteitspact tientallen mensen op deze zaak heeft gezet, speelt een belangrijke rol in Athene. Commissie-functionarissen kunnen beter dan ECB’ers en IMF-mensen beoordelen of maatregelen die Griekenland krijgt opgedrongen, stroken met Europese wetgeving. Zij kennen de Griekse arbeidsmarkt en het pensioenstelsel die op de schop moeten, ook beter.

Maar woensdag reisde Jean-Claude Trichet (ECB) met Dominique Strauss-Kahn (IMF) voor crisisberaad naar Berlijn. Strauss-Kahn maakte bekend hoeveel miljard de Europeanen Griekenland gaan lenen: meer dan 120 miljard. De Commissie was niet uitgenodigd. Commissie-voorzitter José Manuel Barroso, die in China was voor de opening van de Wereldtentoonstelling, werd kwaad. Hij stuurde eurocommissaris Olli Rehn donderdag de perszaal in met de mededeling dat de „onderhandelingen over een meerjarig hulppakket” in Athene goed verlopen, maar dat hij pas details kon geven zodra er een deal was.

Vervolg Griekenland: pagina 5

Vooral de oprichters hebben het moeilijk met Europa

Toen vertrok Rehn weer. Hij probeerde de Commissie even ‘op de kaart’ te zetten. Maar de indruk die hij naliet, was er een van hulpeloosheid.

Vanaf de oprichting van de EU hebben landen de Commissie met argusogen bekeken. Nationale belangen stroken niet altijd met Europese. Maar ondanks permanente frictie groeiden die instellingen toch. Het aantal terreinen waarop EU-landen wilden samenwerken nam toe. Die samenwerking werd beheerd en uitgebouwd door mensen bij de Commissie of Europese agentschappen. Zelfs de legendarische Commissie-voorzitter Jacques Delors, vertelt iemand die voor hem werkte, streek zelden grote landen tegen de haren in – al helemaal Frankrijk niet. Barroso doet dat ook nauwelijks.

Maar er is een verschil tussen toen en nu. Delors kreeg ruimte om te manoeuvreren, want veel regeringen waren Europees-gezind. Die speelruimte heeft Barroso niet, laat staan de sympathie.

Veel burgers herkennen zich niet meer in de Unie. De kleine club van weleer bestaat niet meer. Hoe meer landen erbij komen, hoe onpersoonlijker en ingewikkelder het wordt. Elk land – Nederland ook – wil wegens nationale gevoeligheden uitzonderingsregelingen voor zichzelf, of het nu gaat om visserijregelingen of asielrichtlijnen. Een vrijwillig samenwerkingsverband kent geen winnaars en geen verliezers. Dus drijft de EU op compromissen. Hoe meer landen er zijn, hoe ondoorzichtiger de boel wordt.

Nieuwe landen weten niet beter. Zij tellen nog de zegeningen van het lidmaatschap. Landen als Groot-Brittannië of Zweden hadden nooit ambities met Europa: zij zitten erbij om geen buitenstaanders te zijn en om te verdienen aan de interne markt. Hun treft de desillusie evenmin. Maar oude landen, oprichters, hebben het moeilijk. Duitse, Franse en Nederlandse electoraten snappen niet waar de oude garde zo idolaat van was, en verzetten zich. Regeringen proberen dit electoraat niet te overtuigen, maar juist te plezieren door zich in Brussel harder op te stellen. Verkiezingen zijn immers een nationale aangelegenheid.

De crisis – de banken, toen de economie, nu de munt – versterkt deze toenemende assertiviteit van lidstaten. Crisistijd voedt altijd protectionistische neigingen. Bondskanselier Merkel wil vooral Duitse Opel-vestigingen openhouden. President Sarkozy vecht alleen voor Peugeot-fabrieken in Frankrijk. EU-landen hebben afgesproken dat dit soort discriminatie niet mag omdat het de interne markt, het hart van de EU, kapotmaakt. Barroso bewaakt dit verbod. Dus zei hij daar vorig jaar wat van. Sindsdien laten Merkel en Sarkozy hem links liggen. Het Lissabon-verdrag dat eind 2009 van kracht werd, verzwakte de rol van de Commissie verder ten gunste van lidstaten en parlement. Wat Duitsland en Frankrijk beslissen, gebeurt. Soms geven de Britten tegenwicht, waarbij anderen zich nog kunnen aansluiten.

Bij de Griekse crisis, waarin grote landen meer moeten uitlenen, speelt Groot-Brittannië geen rol. De Commissie mag geen geld lenen, wat bij niet-euroland Hongarije mocht. In alle fasen waren het dus Sarkozy en Merkel die, over aller hoofden heen, akkoorden sloten. Duitsland, de grootste betaler en het land met de meeste oppositie tegen leningen, dicteert nu, in het eindspel, met Franse instemming de voorwaarden aan Griekenland. Frankrijk had alles sneller willen regelen.

Maar ergernis in Parijs over dit tempoverschil zal de Frans-Duitse verhoudingen niet schaden. Duitsland claimt de hoofdrol van de ontknoping namelijk niet.

Paradoxaal genoeg leidt één van de Duitse voorwaarden aan Griekse leningen rechtstreeks tot meer Europese samenwerking en meer ‘communautarisme’. Dat een land zo uit de bocht kon vliegen was eens, maar nooit weer. Duitsland wil dus keiharde controle op nationale begrotingen. Landen kunnen dat niet doen bij elkaar. De Commissie, als onafhankelijke instelling, wel. Frankrijk wil vooral meer afstemming van nationale economische politiek – een ‘gouvernement économique’. Beide, denkt men, zullen in een soort uitruil hun zin krijgen. Tenslotte wil Duitsland een mechanisme waarbij in het uiterste geval aan noodlijdende eurolanden geld geleend mag worden.

Ook dit lijkt een taak voor de Commissie. Sterker nog, die heeft er zelfs al een bureau voor, in Luxemburg.