'Flink zijn, de mensen kijken'

Voor Kees (1936) is de Bevrijding geen feest. Zijn ouders zijn NSB’ers en ze vluchten op Dolle Dinsdag naar Groningen, waar zijn vader later wordt gearresteerd.

‘Het monotone gebrom van de scheepsmotor had mij eigenlijk slaperig moeten maken. In het schemerlicht van een nachtlampje zag ik de gestalten van mijn medereizigers in het roefje. Ik zat tussen mijn ouders en mijn oudere zus. Tegenover ons een bevriend echtpaar en hun twee dochters. Iedereen probeerde te slapen, maar de emoties van de vorige dag waren te sterk.

„In de loop van de ochtend waren we met wat koffers naar het station Haarlem gelopen. Ik droeg een schoudertas met wat speelgoed. Mijn moeder had er nog de borselino-hoed van mijn vader bovenop gedrukt. Die verloor ik steeds en kwam dan, door het oprapen, achteraan. Ik barstte in tranen uit. ‘Houd je flink’, zei mijn moeder, ‘de mensen kijken’.

„We konden ons nog in een trein naar Amsterdam wurmen. Daar, op het Centraal Station, was het een heksenketel. Overal mensen en veel bagage. Als er een trein vertrok, hingen er trossen mensen aan de portieren.

„Toevallig troffen we een bevriend gezin. Er werd druk overlegd waar we heen zouden gaan. Misschien wel naar Duitsland. Dit overleg werd voortgezet in een restaurant. Mijn vader ging met zijn vriend weg om wat te regelen. Iets opgewekter kwamen ze terug: ze hadden kaartjes voor de nachtboot naar Lemmer. Overdag werd er niet gevaren, wegens mogelijke luchtaanvallen van geallieerden.

„Hoe we de rest van de dag, Dolle Dinsdag, doorkwamen, weet ik niet meer. Ik was toen acht.

„Tegen de ochtend bereikte de boot Lemmer. Vandaar gingen we per stoomtrammetje naar Groningen. De eerste maanden brachten we door in een hotel. Toen weer iets naars: ik moest naar school. Daar werd ik snel herkend als ‘NSB-jongen’ en ik viel buiten de groep.

„Mijn vader had inmiddels een baantje gekregen bij de Ortskommandantur, iets administratiefs. Ook kregen we in een buitenwijk een huis toegewezen. Het was een klein arbeidershuisje. De oorspronkelijke bewoner was een stakende spoorwegman, die met gezin was ondergedoken. De buren hielden ons duidelijk op afstand.

„De militaire situatie stemde ons niet vrolijker. ’s Nachts hoorden we het gebrom van zwermen overvliegende bommenwerpers, richting Duitsland. Zou het ‘Geheime Wapen’ nog wel op tijd komen? Het front kwam langzaam maar zeker dichterbij. Begin april ’45 was het gedreun van geschut al hoorbaar. Beklemmend.

„Een paar dagen later werd er in de binnenstad gevochten. Iedereen moest binnen blijven en ramen en deuren gesloten houden. We zaten dicht bij elkaar in de huiskamer. Plotseling een kort gefluit en toen een dreun, die het huisje deed schudden. Kennelijk was een afzwaaiende granaat vlak bij ons neergekomen. Ik meen zelfs in het achtertuintje. We zagen al groepjes geallieerde soldaten, wat gebukt, vlak langs de huizen lopen. Dat waren ze dus! De gevechten duurden een paar dagen. Langzamerhand gingen er toch mensen de straat op.

„Het was alsof we in het luchtledige leefden. Hoe zou het verder gaan? In een film zou er sombere muziek zijn gespeeld. Er kwam steeds meer volk op straat. Er werd aangebeld. Een paar mannen, met een oranje band om de arm, bedreigden mijn vader met een pistool. Hij moest mee. Mijn moeder wrong zich voor hem. Er werd geschreeuwd, geduwd en gescholden. Nu verzamelden zich meer mensen voor onze deur. Ik vluchtte de huiskamer in en dook onder de tafel. Even later zag ik hoe mijn vader met de handen in de lucht werd afgevoerd. Mijn zus holde er huilend achteraan, maar werd tegengehouden. ‘Die zie je nooit meer terug’, werd haar gezegd.

„Wij glipten later met wat koffers het huis uit en vonden onderdak bij een bevriend echtpaar.

„Naderhand hoorden we hoe het met mijn vader was gegaan. Hij werd met een paar andere opgepakte mannen een paar uur schijnbaar doelloos voortgedreven. Toen kwam de groep bij een Canadese commandopost. De aanvoerder van de mannen met de oranje armband droeg ze over aan een officier. Hij zei dat het sluipschutters waren en dat ze geëxecuteerd moesten worden. Mijn vader was de enige van de gevangenen die Engels verstond en mengde zich in het gesprek: leugens! De Canadese officier bekeek het armzalige groepje en geloofde mijn vader. Ze moesten in een tent gaan zitten en horloges, geld en ringen afgeven. Die nacht konden ze zien, hoe hun Canadese bewakers pokerend hun bezittingen verdeelden. Als ik nu nog iemand spreek die zegt Canadees te zijn, kijk ik altijd even of hij de ring met ons familiewapen draagt.”

Dolle Dinsdag vond plaats op 5 september 1944. In paniek door de snelle opmars van de geallieerden, sloegen veel NSB’ers op de vlucht. De vader en moeder van Kees (die zonder achternaam in de krant wil) werden na de oorlog berecht en kregen drie en twee jaar cel. Volgens Kees waren zijn ouders overtuigd lid van de NSB, maar hebben ze nooit mensen verraden. Het waren „idealisten, trots op het Nederlanderschap”. Hij heeft het zijn ouders nooit kwalijk genomen. „Ik kan me in hun keuzes inleven.”