Er is te hard gewied in aantal onderzoekers

Nederland zakt op de kennisranglijsten. ‘De selectie is doorgeschoten’. Margriet van der Heijden

Het knoopje! Let op het knoopje!” Einstein kon wegkomen met een warrig kapsel en een slobbertrui, maar als de voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), Jos Engelen, op de foto moet waken er twee persvoorlichters over hem.

Engelen (59) is sinds begin 2009 voorzitter van NWO, die het grootste deel van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland financiert en coördineert. NWO krijgt daarvoor jaarlijks bijna 700 miljoen van de regering. Engelen is daarmee, na de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de machtigste man in het Nederlandse onderzoek.

Vorige zomer debatteerde hij in deze krant met de voorzitter van Bouwend Nederland en lobbyist bij uitstek, Elco Brinkman, over lobbyen voor de wetenschap. De Amerikaanse president Barack Obama en de Duitse bondskanselier Angela Merkel hadden toen net gezegd dat ze vele miljarden extra in onderwijs en onderzoek zouden investeren, als maatregel om het slechte economisch tij te keren. De regering Balkenende was zoiets niet van plan.

Maar nu komen er verkiezingen aan, en schrijven partijen van links tot rechts in hun programma’s dat het stimuleren van kennis enorm belangrijk is. PvdA en CDA hangen er geen bedragen aan, maar de SP wil 1,5 miljard extra in onderwijs en onderzoek steken, de ChristenUnie 1,35 miljard en GroenLinks, VVD en D66 2,5 miljard. “Dat maakt mij optimistisch en geeft mij energie”, zegt Engelen.

NWO was ook “blij’” toen vorig jaar september de motie Hamer kamerbreed werd aangenomen. De motie riep de regering op om Nederland in de top-5 van beste kenniseconomieën ter wereld te brengen. “Een enorme opsteker voor onze organisatie”, zegt Engelen. In de hele keten van school tot aan innovatieve, nieuwe bedrijven speelt het ongebonden wetenschappelijk onderzoek dat NWO financiert een cruciale rol, zegt hij.

Wat is een kenniseconomie volgens u?

Engelen: “Ik zet het altijd af tegen een olie- of gaseconomie. Die is gebaseerd op natuurlijke rijkdommen die opraken. Een kenniseconomie draait op de inzet van kennis, en kennis kun je blijven tappen.”

Van dienstverlening en transport, óók belangrijk voor de economie, kan Nederland toch ook nog wel een tijd profiteren?

“Oh, maar kennis is veel robuuster. Stel dat wij onszelf helemaal afhankelijk zouden maken van vliegtuigtransport. Dan komt er een aswolk en is ons inkomen weg. Kennis is constant en niet conjunctuurgevoelig.”

En hoe ziet een tópkenniseconomie er dan uit?

“Er zijn getallen die meten hoe welvarend een land is. Zoals het inkomen per hoofd van de bevolking. Dat is voor Nederland acceptabel. Maar als je het afzet tegen andere landen met een kenniseconomie, die dus niet van toevallige en tijdelijke rijkdommen afhankelijk willen zijn, kan het in Nederland nog stijgen.

“En ook als je het niet alleen maar naar de harde cijfers kijkt: een maatschappij waarin kennis in aanzien staat, is een prettiger maatschappij. Neem een thema als gezondheid. Wie in een land leeft met veel kennis om ziektes te voorkomen en te genezen, is daar in betere handen dan in een land waar zulke kennis alleen uit de tweede hand en misschien veel later beschikbaar is.”

De afgelopen jaren is een lawine aan rapporten verschenen die de investeringen en prestaties in onderwijs en onderzoek onder de loep namen. Ze werden vergeleken met investeringen en prestaties in andere landen, en geordend in alle mogelijke staafdiagrammen, taartpuntdiagrammen en ranglijsten.

Een paar dingen vielen telkens op. Vergeleken met de top-5 kennislanden investeren de Nederlandse overheid en vooral ook het Nederlandse bedrijfsleven weinig in onderzoek en onderwijs. Het verschil is ruim vijf miljard euro per jaar (genormeerd op de omvang van de bevolking).

Nog iets: in de beroepsbevolking heeft Nederland heel weinig onderzoekers zitten (de top-5 kennislanden hebben er twee keer zoveel), maar de onderzoekers die we hebben, presteren nog altijd goed.

En: Nederland, dat dertig jaar geleden op veel van die onderzoeksranglijsten wél in de top-3 stond, zakt nu steeds verder weg: een beetje als het gaat om citaties van onderzoekers, hard als het gaat om lees- en rekenvaardigheden van scholieren. Op de kenniseconomielijst staat Nederland intussen op de tiende plek.

Wat ten slotte opvalt is dat al die rapporten het juist voortdurend hebben over toptalent, excellentie, excellente onderzoekers enzovoorts.

Dertig jaar geleden gebeurde dat niet.

“Nou, we spreken niet voortdurend over excellent.”

Maar de term wordt toch vaak gebruikt?

“Vroeger was excellentie net zo goed het doel. Maar toen was onderzoek doen vanzelfsprekender. In die tijd hadden bedrijven als Philips grote onderzoekslaboratoria. Nu is dat anders; de wereld staat niet stil.

“De maatschappij zegt niet meer in alle vertrouwen: hier hebben jullie geld, doe er maar wat mee. We moeten nu veel beter dan dertig jaar geleden uitleggen wát we ermee willen doen. En daar is niks mis mee. Wij doen niks wat het daglicht niet kan verdragen. Ik denk dat het heel positief is dat er om excellentie wordt gevraagd en dat wij die willen bieden.”

Intussen is Nederland wel gedaald op al die ranglijsten...

“Wat meespeelt is dat de top breder is geworden. Kijk naar Finland. Dertig jaar geleden bungelde Finland ver onder Nederland. Nu staat het erboven. Niet doordat Nederland zo is afgegleden, maar doordat Finland Nederland heeft overvleugeld.”

Maar als de top breder is, en de verschillen tussen toplanden ook kleiner zijn, is het dan werkelijk zó belangrijk om in de top-5 te staan?

“Ja, want we waren heel goed en we hebben nog alles in huis om dat weer te worden. Kijk, ik heb één grote zorg, en die deel ik met mijn gesprekpartners van de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) en de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten). Die zorg is dat misschien ten onrechte het idee bestaat dat je onderzoek een tijdje kunt uitzetten en dan weer aan. Zo werkt het niet. Als je de onderzoeksstroom onderbreekt, zelfs voor maar twee of drie jaar, dan verlies je jonge mensen. Daar herstel je niet vlug meer van.

“Ons pleidooi om te blijven investeren is juist daarom urgent aan het worden. We klagen niet omdat we een jaartje wat minder te besteden hebben, maar omdat we zijn doorgeschoten met bezuinigen. Als je goed in je jasje zit, kunnen bezuinigingen een prikkel zijn. Dat stadium zijn we al lang voorbij.”

Dan moet het u optimistisch maken dat alle partijen nu goede bedoelingen met onderzoek en onderwijs hebben?

“Ja, en ook iets anders maakt mij optimistisch. We hadden laatst een bijeenkomst van alle 28 voorzitters van organisaties die met kennis te maken hebben. De VSNU, NWO, de raden voor het voortgezet, middelbaar en hoger onderwijs, de vakbewegingen... Voorzitter Rinnooy Kan hield daar een mooi pleidooi. We moeten gezamenlijk optrekken, hield hij iedereen voor. Als straks de overheid 600 miljoen wil steken in het middelbaar beroepsonderwijs (MBO), dan moet bij wijze van spreken NWO dus niet meteen gaan roepen dat 200 miljoen voor het MBO ook wel genoeg is.

“En ja, ik weet ook wel dat de praktijk weerbarstig is, maar als we inderdaad die atmosfeer van samen optrekken kunnen vasthouden, dan zou dat het onderwijs en onderzoek zeer ten goede komen.”

Dus als straks een nieuwe regering zegt dat de problemen in het vmbo en het mbo zo groot zijn dat al het geld daarnaartoe moet, dan horen we nwo niet klagen?

“Nou, ten eerste noemde ik het MBO natuurlijk niet zonder reden. De problemen in het voorbereidend (VMBO) en middelbaar beroepsonderwijs leiden tot grote schooluitval en als je dat kunt tegengaan, moet je dat zeker doen. Maar waar al die voorzitters het ook over eens zijn is dat je niet één deelprobleem eruit kan pikken en alleen dat moet financieren.

“Als NWO-voorzitter zal ik zeker niet zeggen: wij kunnen wel toe met minder geld, want als het onderzoek in Nederland nog verder verschraalt raken we tientallen jaren achterop.”

Maar iemand zal toch moeten inleveren als er beperkt geld is?

“Daarover moeten het centraal planbureau en politieke partijen zich uitspreken. Daar treed ik niet in. Ik zeg alleen: bezuinig niet op onderzoek.

“Nog even wat het onderwijs en de samenhang met onderzoek betreft: NWO is bijvoorbeeld een programma begonnen waarin leraren uit het middelbaar onderwijs een promotieonderzoek kunnen gaan doen. Voor de duur van dat onderzoek, als ze dus niet kunnen lesgeven, vult NWO hun salaris aan. Zo willen we tegemoet komen aan de vraag naar hoger opgeleide docenten en meer gepromoveerden voor de klas.”

Stel dat een nieuwe regering twee miljard euro voor onderzoek en onderwijs extra uittrekt en u krijgt daarvan wat u graag wilt, ongeveer een half miljard. Waaraan wilt u dat besteden?

“Voor een heel groot deel aan onderzoekers uit allerlei vakgebieden die we nu moeten afwijzen. Op dit moment honoreren de beoordelingscommissies een magere 10 tot 15 procent van alle onderzoeksaanvragen. Maar volgens die commissies voldoet zeker de helft van al die aanvragen aan alle eisen. Als we nu met een paar honderd miljoen euro die magere 15 procent kunnen verhogen naar 25 procent, dan kunnen we daarmee duizenden toponderzoekers aan het werk houden. Dat sluit ook aan bij de al vaak gemaakte constatering dat Nederland relatief heel erg weinig onderzoekers heeft. Goede onderzoekers, dat zeker, maar de top is erg smal geworden.”

Op een bijeenkomst eerder deze maand in het Amsterdamse Trippenhuis zei knaw-directeur Hans Chang (de man naast Robbert Dijkgraaf, red.) dat onderzoekers eventuele extra investeringen in de toekomst vooral zouden moeten gebruiken voor punten waarin Nederland sterk is: water vanzelfsprekend, ‘food’ in Wageningen en fotovoltaische zonnecellen, noemde hij...

Buigt naar voren en roept: “Wat een wijsheid!” Dan: “Als je onderzoek financiert, kun je misschien best accenten aanbrengen. Maar je hebt dan toch eerst in de volle breedte een basis nodig waaraan je die accenten kunt geven.”

En nwo moet die basis in stand houden?

“Oh ja! Kijk, het innovatieplatform heeft bijvoorbeeld aangegeven dat chemie in het Nederlandse onderzoek een sleutelgebied moet zijn. Nederland heeft grote chemische bedrijven die een aanzienlijk deel van het nationaal inkomen leveren. Natuurlijk is het belangrijk dat die bedrijven gevoed worden met goede onderzoekers en goed onderzoek. Maar dat betekent niet dat we aan universiteiten en instellingen alleen maar chemie gaan onderwijzen. Zo werkt het niet. We gaan geen onderzoek weggooien dat straks misschien juist belangrijk zal worden.

“Ik vind mensen moeilijk te begrijpen als ze zo zeker weten wat we moeten doen. Ontdekkingen worden niet op bestelling gedaan.”

Nog één ander ding. Al die beoordelingen, evaluaties, onderzoeksaanvragen leiden tot een enorme papierwinkel. Werkt dat niet verlammend op onderzoekers?

“Nou, het is niet de papierwinkel die ons in de ranglijsten laat dalen, hoor. En we proberen de protocollen ook bij te stellen als er klachten zijn. Maar wat je vooral niet moet vergeten is dat juist dit soort procedures ertoe heeft geleid dat er in Nederland geen middelmatig onderzoek meer is. Het dorre hout, om het oneerbiedig te zeggen, is weggesneden. Als je kijkt naar het geringe aantal onderzoekers, moet je zeggen dat we daarin zelfs veel te ver zijn doorgeschoten.”

Toch bent u nu optimistisch?

“Ja. Vanwege de sfeer die spreekt uit de partijprogramma’s en uit het overleg met alle andere kennisinstellingen. Én omdat er nog altijd een groot aantal goede onderzoekers aan onze poorten rammelt. Ze zijn er nog. Alleen: als de poorten alweer een paar jaar dicht blijven, dan zijn ze echt weg.”