Duitse drollen in de gang

Het huis van Bert Bennema (1929), vol onderduikers, komt tijdens de bevrijding van Groningen midden in de vuurlinie te liggen. Gehuld in witte lakens gaat iedereen de straat op.

‘Op 12 april 1945 stonden de Canadese troepen aan de zuidkant van de stad Groningen. NSB’ers en andere foute Nederlanders probeerden Delfzijl te bereiken. Bepakt en bezakt gingen ze op reis, kinderwagens vol met spullen voortduwend. Wij hadden vanuit ons huis een perfect uitzicht, een feestelijk gezicht!

„Maar snel daarna werd het menens. Er werd flink gevochten. Op de 15de schoten de Canadezen de noordrand van de Grote Markt in brand om de Duitsers daar te verdrijven. We konden de huizen aan het begin van de Ebbingestraat zien branden. Elk half uur vloog een volgend huis in brand.

„Het kruispunt waar ons huis stond, was een van de laatste plaatsen van de stad die de Duitsers heftig verdedigden. ’s Avonds werden er twee stukken luchtafweergeschut geplaatst, nu gebruikt voor het grondwerk. Het ene kanon werd gericht op de Grote Markt, het andere de andere kant op, richting Ebbingebrug. We zaten als ratten in de val. Rond ons huis waren ongeveer 25 Duitsers, allemaal oudere mannen, boeren, zo van het platteland gehaald. Ze stonden onder leiding van een jong, zenuwachtig luitenantje. Voortdurend liep hij langs zijn soldaten om ze aan te sporen door te vechten. Deserteurs zou hij neerknallen.

„Mijn vader is naar die man toegegaan. Of het voor ons mogelijk was te vluchten. Daar schuilde een risico in, want dan kwamen de onderduikers tevoorschijn. Maar wij moesten blijven waar wij waren. Het kon trouwens ook niet anders, want overal werd geschoten.

„Rond middernacht werd er luid op de deur gebonsd. Er stonden een paar Duitse soldaten die ons meldden dat we weg konden. De Canadezen hadden een gevechtspauze ingelast om de bewoners te laten vertrekken. Wij hadden al allerlei waardevolle goederen op een bakfiets geladen: antieke stukken, fotoalbums. Over dit alles lag een wit kleed als baken in de nacht en teken van overgave. Ook kreeg iedereen een wit laken om zijn schouders. Zo gingen we de straat op, de nacht in, rood verlicht door de branden. Een spookachtig gezicht!

„We konden een blik werpen op de Ebbingestraat. Vlammen sloegen vanuit de huizen over de straat heen. Het knallen van het brandende hout was oorverdovend. En boven de straat hingen twee tramdraden die als sierlijke guirlandes in de rode massa verdwenen.

„Het kruispunt lag vol met koperen hulzen van de kanonskogels. Die hulzen moesten we opzij schoppen om er met de bakfiets door te kunnen. De rollende en stuiterende hulzen maakten een luguber geluid in de nacht. Al midden op de Ebbingebrug werden we opgewacht door een Nederlander die vertelde dat we in bevrijd gebied waren. We zijn toen naar vrienden een eindje verderop gegaan. Met veel blijdschap werden we ontvangen, verwend met allerlei lekkers en op matrassen in hun schuilkelder te slapen gelegd.

„We werden weer wakker door Canadezen die met een mitrailleur op de Duitsers bij de Ebbingebrug schoten. Later die ochtend hebben de Duitsers zich overgegeven en konden we naar huis terug. Als door een wonder bleek de wind gedraaid en was de brand nauwelijks verder de Ebbingestraat ingetrokken. Rond ons huis: gevels met grote gaten, kapotgeschoten kanonnen en veel gesneuvelde Duitse soldaten. In de gang van ons pakhuis lag een hele rij Duitse drollen, op een betrekkelijk veilige plek door angstige Duitse soldaten gedeponeerd.

„De eerste uren van de bevrijding verliepen chaotisch. Iedereen was bezig. Ik stond in een lange rij mensen emmertjes water door te geven om de resten van de brand te blussen. Iedereen probeerde te redden wat er te redden viel. Meubels werden uit huizen gesleept. Zo stond de volledige inventaris van het kostuumverhuurbedrijf Boomsma op straat: van middeleeuwse harnassen tot hedendaagse Engelse politie-agenten. Ook waren er paniekerige taferelen: mensen die uit bovenverdiepingen kasten en bedden naar beneden gooiden. Alles kapot natuurlijk.

„Ons huis had geen schade ondervonden. We konden in onze eigen bedden slapen. Heel bizar, maar ander leven was in die vier hectische dagen gewoon doorgegaan. Het weer was prachtig. De bijen die ik in een kast op het platte dak had staan, hadden veel nectar verzameld.”